Een bonnetje op de kastdeur
Het begon met een lijstje op de achterkant van een bonnetje van de Albert Heijn. Isa schoof het op een zondagochtend over de ontbijttafel naar me toe, tussen de pot pindakaas en mijn koffie.
‘Lees maar, Ruben,’ zei ze. ‘En wees eerlijk. Bij elk woord een ja, een nee of een misschien.’
Er stonden twaalf woorden op, in haar kleine, schuine handschrift. Geblinddoekt. Vastgebonden. Wachten. Niet mogen komen. Bevelen. Billenkoek. Ik las ze twee keer, voelde mijn oren rood worden en keek op. Ze keek terug, rustig, met haar kin op haar hand.
We waren toen vier jaar samen. Ik was vierendertig, zij eenendertig. Ik werk als boekhouder bij een bouwbedrijf in Zwolle, een baan waarin ik de hele dag beslissingen neem over getallen die niemand anders wil begrijpen. Isa is verloskundige. Ze weet beter dan wie ook hoe je iemand kalm houdt terwijl zijn lichaam het overneemt.
Ik had het haar een maand eerder verteld, na een fles wijn, met mijn gezicht half in een kussen: dat ik soms fantaseerde over niet hoeven beslissen. Over iemand die het van me overnam. Dat ik me daarvoor schaamde, omdat ik dacht dat een man dat niet hoorde te willen. Ze had niet gelachen. Ze had alleen gezegd: ‘Laat me erover nadenken.’
Dit was haar nadenken.
Ik zette achter tien woorden een ja, achter één een misschien en achter één een nee. Ze knikte, vouwde het bonnetje dubbel en stak het in de zak van haar ochtendjas.
‘Nog één ding,’ zei ze. ‘Een stopwoord. Iets wat je nooit per ongeluk zegt.’
Ik dacht na. ‘Debiteuren.’
Ze proestte haar thee bijna over tafel. ‘Debiteuren. Prima. Als je debiteuren zegt, stop ik meteen, wat er ook gebeurt. En als je niet kunt praten, tik je drie keer met je hand. Afgesproken?’
‘Afgesproken.’
‘Vrijdagavond,’ zei ze, en ze stond op om de afwas te doen alsof we het over een verjaardag hadden gehad.
Die week was de langste van mijn leven. Ze zei er niets meer over. Op woensdag stuurde ze me alleen een berichtje tijdens mijn lunch: Vrijdag om acht uur ben je gedoucht en wacht je in de slaapkamer. Je draagt niets. Ik zat met een broodje kaas in de kantine en moest mijn laptoptas op schoot leggen.
Vrijdag om vijf voor acht stond ik in de slaapkamer. Ik had gedoucht, mijn tanden gepoetst, de gordijnen dichtgedaan en weer open en weer dicht. Ik stond naakt op het kleed naast het bed en wist niet wat ik met mijn handen moest doen.
Om acht uur precies ging de deur open.
Isa droeg een zwarte jurk die ik nog nooit had gezien, simpel, tot over haar knieën, met haar donkere krullen opgestoken. In haar hand had ze een sjaal van zijde, donkerblauw, die ik herkende van haar moeder.
‘Op je knieën,’ zei ze. Niet hard. Gewoon duidelijk, zoals ze tegen een vrouw in de weeën zegt dat het nu tijd is om te persen.
Ik ging op mijn knieën. Het kleed kriebelde onder mijn huid. Ze liep om me heen, langzaam, en ik hoorde haar hakken niet, want ze liep op blote voeten. Ze bleef achter me staan. Ik voelde haar vingers in mijn haar.
‘Hoe heet je stopwoord?’
‘Debiteuren.’
‘Goed zo.’ Ze bond de sjaal voor mijn ogen. De wereld werd donkerblauw en toen zwart. ‘Vanaf nu praat je alleen als ik je iets vraag. Je antwoordt met ja of nee. En je bedankt me als ik je iets geef. Begrijp je dat?’
‘Ja.’
Haar hand kwam neer op mijn schouder, licht, een tikje. ‘Ja, wat?’
Daar hadden we het niet over gehad. Ik voelde mijn hele lichaam warm worden. ‘Ja, Isa.’
‘Dat is goed genoeg,’ zei ze, en ik hoorde de glimlach in haar stem.
Wat volgde was wachten. Dat had ik met een ja aangestreept, maar ik had geen idee gehad hoe zwaar het zou zijn. Ze liet me geknield zitten en deed dingen in de kamer die ik niet kon zien. Een la die openging. Het zachte tikken van iets wat op het nachtkastje werd gelegd. Haar adem, af en toe vlak bij mijn oor, en dan weer weg. Mijn knieën begonnen pijn te doen. Mijn pik stond zo hard dat het bijna zeer deed, en ik mocht hem niet aanraken. Dat had ze niet eens hoeven zeggen. Ik wist het.
‘Je bent ongeduldig,’ zei ze ergens achter me.
‘Ja, Isa.’
‘Dat is jammer voor je.’
Ze liet me nog een paar minuten wachten. Toen voelde ik haar vingertoppen op mijn rug, heel licht, van mijn nek naar beneden. Ze tekende iets. Letters, besefte ik. Ze schreef iets op mijn huid en ik kon het niet lezen. Ik kreeg kippenvel tot in mijn kuiten.
‘Sta op. Ga op het bed liggen. Op je rug. Armen boven je hoofd.’
Ik tastte me naar het bed en ging liggen. Ze pakte mijn polsen en bond ze vast aan de spijlen van het hoofdeinde, met iets wat zachter was dan touw. Klittenband, dacht ik, of zo’n set die je online bestelt en waarvan je de doos meteen in de papierbak stopt. Ze controleerde de banden met twee vingers.
‘Te strak?’
‘Nee, Isa.’
‘Tik drie keer.’
Ik tikte drie keer met mijn vingers tegen het hout. Ze legde haar hand meteen op mijn borst.
‘Goed. Dan weet ik dat je het kunt. Nu gaan we verder.’
Ze kroop over me heen. Ik voelde de stof van haar jurk langs mijn dijen strijken, haar knieën aan weerszijden van mijn heupen, maar ze raakte mijn pik niet aan. Ze boog zich voorover en kuste mijn hals. Ze beet zacht in mijn sleutelbeen. Ze nam mijn tepel tussen haar tanden, zo voorzichtig dat ik het nauwelijks voelde, en toen iets harder, tot ik kreunde.
‘Wat zeg je?’
‘Dank je, Isa.’
Ze werkte zich langzaam naar beneden. Elke keer dat ik dacht dat ze me eindelijk zou aanraken, ging ze ergens anders heen. Mijn heupbot. De binnenkant van mijn knie. Mijn navel. Ik trok aan de banden, niet om los te komen, maar omdat ik niet wist waar ik anders heen moest met alles wat er door mijn lijf ging.
Eindelijk sloot haar hand zich om mijn pik. Ik slaakte een geluid dat ik nog nooit had gemaakt. Ze bewoog haar hand een keer langzaam op en neer, en nog een keer, en hield toen stil.
‘Je mag niet komen,’ zei ze. ‘Pas als ik het zeg. Als je denkt dat het niet meer gaat, zeg je geel. Dan stop ik even. Begrepen?’
‘Ja, Isa.’
Wat ze daarna deed, kan ik maar half beschrijven, want ik zag niets en voelde alles. Haar hand. Haar mond, warm en nat, die me diep nam en dan weer losliet. Haar hand weer. Twee keer zei ik geel, en twee keer liet ze me meteen los en legde ze haar hand plat op mijn buik tot mijn ademhaling rustiger werd. ‘Goed zo,’ fluisterde ze dan. ‘Je doet het zo goed.’ Ik had nooit gedacht dat drie woorden me zo konden raken. Ergens achter de sjaal werden mijn ogen nat.
De derde keer zei ik geen geel. Ik hield het vast, zonder te weten hoe, met mijn tenen gekruld en mijn handen tot vuisten.
Toen hoorde ik de rits van haar jurk. Ik hoorde de stof op de vloer vallen. Ze ging boven op me zitten en ik voelde hoe nat ze was, hoe ze over me heen schoof zonder me in zich te laten, heen en weer, tot ik bijna smeekte.
‘Wat wil je?’ vroeg ze.
‘In je. Alsjeblieft, Isa.’
Ze liet zich langzaam op me zakken. Ze was heet en strak en ik kon niets doen dan liggen en voelen hoe zij het ritme bepaalde. Ze reed me langzaam, met haar handen plat op mijn borst, en ik hoorde haar ademhaling sneller worden. Ze kwam als eerste, met een lange, lage kreun, haar nagels in mijn borstspieren, en ze bleef daarna gewoon doorgaan, alsof ze wist dat ik op het randje balanceerde.
‘Nu,’ zei ze in mijn oor. ‘Nu mag je.’
Ik kwam zo hard dat ik even niet wist waar ik was. Het voelde alsof er iets in me openbrak wat al jaren dicht had gezeten.
Daarna was ze snel. Ze maakte de banden los, wreef mijn polsen, haalde de sjaal van mijn ogen. Het licht van het nachtlampje was zacht. Ze trok het dekbed over ons heen en nam mijn hoofd tegen haar borst, en ik merkte pas toen dat ik huilde. Niet van verdriet. Van iets wat ik nog steeds geen naam kan geven.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ze.
‘Goed,’ zei ik. ‘Heel goed. Wat had je op mijn rug geschreven?’
Ze lachte zacht in mijn haar. ‘Van mij.’
Ze gaf me water. Ze gaf me een stuk chocola uit de la van het nachtkastje, waar ze dus al die tijd een reep had liggen. Ze vroeg wat ik fijn vond, wat te veel was geweest, of ik het nog een keer wilde. Ik zei ja op alles, behalve op de vraag of iets te veel was geweest.
Het bonnetje van de Albert Heijn hangt inmiddels op de binnenkant van de kledingkast, met een magneetje. Er zijn een paar woorden bij gekomen, en achter het woord met het misschien staat nu een ja. Het woord met de nee staat er nog steeds, doorgestreept met een dikke streep, en dat is ook goed.
Ik beslis nog altijd de hele dag over getallen. Maar op vrijdagavond om acht uur hoef ik niets te beslissen. En als ik ooit debiteuren zeg, weet ik dat ze meteen stopt. Dat weten, zo zeker als ik iets weet, is misschien wel het fijnste deel van alles.
‘Lees maar, Ruben,’ zei ze. ‘En wees eerlijk. Bij elk woord een ja, een nee of een misschien.’
Er stonden twaalf woorden op, in haar kleine, schuine handschrift. Geblinddoekt. Vastgebonden. Wachten. Niet mogen komen. Bevelen. Billenkoek. Ik las ze twee keer, voelde mijn oren rood worden en keek op. Ze keek terug, rustig, met haar kin op haar hand.
We waren toen vier jaar samen. Ik was vierendertig, zij eenendertig. Ik werk als boekhouder bij een bouwbedrijf in Zwolle, een baan waarin ik de hele dag beslissingen neem over getallen die niemand anders wil begrijpen. Isa is verloskundige. Ze weet beter dan wie ook hoe je iemand kalm houdt terwijl zijn lichaam het overneemt.
Ik had het haar een maand eerder verteld, na een fles wijn, met mijn gezicht half in een kussen: dat ik soms fantaseerde over niet hoeven beslissen. Over iemand die het van me overnam. Dat ik me daarvoor schaamde, omdat ik dacht dat een man dat niet hoorde te willen. Ze had niet gelachen. Ze had alleen gezegd: ‘Laat me erover nadenken.’
Dit was haar nadenken.
Ik zette achter tien woorden een ja, achter één een misschien en achter één een nee. Ze knikte, vouwde het bonnetje dubbel en stak het in de zak van haar ochtendjas.
‘Nog één ding,’ zei ze. ‘Een stopwoord. Iets wat je nooit per ongeluk zegt.’
Ik dacht na. ‘Debiteuren.’
Ze proestte haar thee bijna over tafel. ‘Debiteuren. Prima. Als je debiteuren zegt, stop ik meteen, wat er ook gebeurt. En als je niet kunt praten, tik je drie keer met je hand. Afgesproken?’
‘Afgesproken.’
‘Vrijdagavond,’ zei ze, en ze stond op om de afwas te doen alsof we het over een verjaardag hadden gehad.
Die week was de langste van mijn leven. Ze zei er niets meer over. Op woensdag stuurde ze me alleen een berichtje tijdens mijn lunch: Vrijdag om acht uur ben je gedoucht en wacht je in de slaapkamer. Je draagt niets. Ik zat met een broodje kaas in de kantine en moest mijn laptoptas op schoot leggen.
Vrijdag om vijf voor acht stond ik in de slaapkamer. Ik had gedoucht, mijn tanden gepoetst, de gordijnen dichtgedaan en weer open en weer dicht. Ik stond naakt op het kleed naast het bed en wist niet wat ik met mijn handen moest doen.
Om acht uur precies ging de deur open.
Isa droeg een zwarte jurk die ik nog nooit had gezien, simpel, tot over haar knieën, met haar donkere krullen opgestoken. In haar hand had ze een sjaal van zijde, donkerblauw, die ik herkende van haar moeder.
‘Op je knieën,’ zei ze. Niet hard. Gewoon duidelijk, zoals ze tegen een vrouw in de weeën zegt dat het nu tijd is om te persen.
Ik ging op mijn knieën. Het kleed kriebelde onder mijn huid. Ze liep om me heen, langzaam, en ik hoorde haar hakken niet, want ze liep op blote voeten. Ze bleef achter me staan. Ik voelde haar vingers in mijn haar.
‘Hoe heet je stopwoord?’
‘Debiteuren.’
‘Goed zo.’ Ze bond de sjaal voor mijn ogen. De wereld werd donkerblauw en toen zwart. ‘Vanaf nu praat je alleen als ik je iets vraag. Je antwoordt met ja of nee. En je bedankt me als ik je iets geef. Begrijp je dat?’
‘Ja.’
Haar hand kwam neer op mijn schouder, licht, een tikje. ‘Ja, wat?’
Daar hadden we het niet over gehad. Ik voelde mijn hele lichaam warm worden. ‘Ja, Isa.’
‘Dat is goed genoeg,’ zei ze, en ik hoorde de glimlach in haar stem.
Wat volgde was wachten. Dat had ik met een ja aangestreept, maar ik had geen idee gehad hoe zwaar het zou zijn. Ze liet me geknield zitten en deed dingen in de kamer die ik niet kon zien. Een la die openging. Het zachte tikken van iets wat op het nachtkastje werd gelegd. Haar adem, af en toe vlak bij mijn oor, en dan weer weg. Mijn knieën begonnen pijn te doen. Mijn pik stond zo hard dat het bijna zeer deed, en ik mocht hem niet aanraken. Dat had ze niet eens hoeven zeggen. Ik wist het.
‘Je bent ongeduldig,’ zei ze ergens achter me.
‘Ja, Isa.’
‘Dat is jammer voor je.’
Ze liet me nog een paar minuten wachten. Toen voelde ik haar vingertoppen op mijn rug, heel licht, van mijn nek naar beneden. Ze tekende iets. Letters, besefte ik. Ze schreef iets op mijn huid en ik kon het niet lezen. Ik kreeg kippenvel tot in mijn kuiten.
‘Sta op. Ga op het bed liggen. Op je rug. Armen boven je hoofd.’
Ik tastte me naar het bed en ging liggen. Ze pakte mijn polsen en bond ze vast aan de spijlen van het hoofdeinde, met iets wat zachter was dan touw. Klittenband, dacht ik, of zo’n set die je online bestelt en waarvan je de doos meteen in de papierbak stopt. Ze controleerde de banden met twee vingers.
‘Te strak?’
‘Nee, Isa.’
‘Tik drie keer.’
Ik tikte drie keer met mijn vingers tegen het hout. Ze legde haar hand meteen op mijn borst.
‘Goed. Dan weet ik dat je het kunt. Nu gaan we verder.’
Ze kroop over me heen. Ik voelde de stof van haar jurk langs mijn dijen strijken, haar knieën aan weerszijden van mijn heupen, maar ze raakte mijn pik niet aan. Ze boog zich voorover en kuste mijn hals. Ze beet zacht in mijn sleutelbeen. Ze nam mijn tepel tussen haar tanden, zo voorzichtig dat ik het nauwelijks voelde, en toen iets harder, tot ik kreunde.
‘Wat zeg je?’
‘Dank je, Isa.’
Ze werkte zich langzaam naar beneden. Elke keer dat ik dacht dat ze me eindelijk zou aanraken, ging ze ergens anders heen. Mijn heupbot. De binnenkant van mijn knie. Mijn navel. Ik trok aan de banden, niet om los te komen, maar omdat ik niet wist waar ik anders heen moest met alles wat er door mijn lijf ging.
Eindelijk sloot haar hand zich om mijn pik. Ik slaakte een geluid dat ik nog nooit had gemaakt. Ze bewoog haar hand een keer langzaam op en neer, en nog een keer, en hield toen stil.
‘Je mag niet komen,’ zei ze. ‘Pas als ik het zeg. Als je denkt dat het niet meer gaat, zeg je geel. Dan stop ik even. Begrepen?’
‘Ja, Isa.’
Wat ze daarna deed, kan ik maar half beschrijven, want ik zag niets en voelde alles. Haar hand. Haar mond, warm en nat, die me diep nam en dan weer losliet. Haar hand weer. Twee keer zei ik geel, en twee keer liet ze me meteen los en legde ze haar hand plat op mijn buik tot mijn ademhaling rustiger werd. ‘Goed zo,’ fluisterde ze dan. ‘Je doet het zo goed.’ Ik had nooit gedacht dat drie woorden me zo konden raken. Ergens achter de sjaal werden mijn ogen nat.
De derde keer zei ik geen geel. Ik hield het vast, zonder te weten hoe, met mijn tenen gekruld en mijn handen tot vuisten.
Toen hoorde ik de rits van haar jurk. Ik hoorde de stof op de vloer vallen. Ze ging boven op me zitten en ik voelde hoe nat ze was, hoe ze over me heen schoof zonder me in zich te laten, heen en weer, tot ik bijna smeekte.
‘Wat wil je?’ vroeg ze.
‘In je. Alsjeblieft, Isa.’
Ze liet zich langzaam op me zakken. Ze was heet en strak en ik kon niets doen dan liggen en voelen hoe zij het ritme bepaalde. Ze reed me langzaam, met haar handen plat op mijn borst, en ik hoorde haar ademhaling sneller worden. Ze kwam als eerste, met een lange, lage kreun, haar nagels in mijn borstspieren, en ze bleef daarna gewoon doorgaan, alsof ze wist dat ik op het randje balanceerde.
‘Nu,’ zei ze in mijn oor. ‘Nu mag je.’
Ik kwam zo hard dat ik even niet wist waar ik was. Het voelde alsof er iets in me openbrak wat al jaren dicht had gezeten.
Daarna was ze snel. Ze maakte de banden los, wreef mijn polsen, haalde de sjaal van mijn ogen. Het licht van het nachtlampje was zacht. Ze trok het dekbed over ons heen en nam mijn hoofd tegen haar borst, en ik merkte pas toen dat ik huilde. Niet van verdriet. Van iets wat ik nog steeds geen naam kan geven.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ze.
‘Goed,’ zei ik. ‘Heel goed. Wat had je op mijn rug geschreven?’
Ze lachte zacht in mijn haar. ‘Van mij.’
Ze gaf me water. Ze gaf me een stuk chocola uit de la van het nachtkastje, waar ze dus al die tijd een reep had liggen. Ze vroeg wat ik fijn vond, wat te veel was geweest, of ik het nog een keer wilde. Ik zei ja op alles, behalve op de vraag of iets te veel was geweest.
Het bonnetje van de Albert Heijn hangt inmiddels op de binnenkant van de kledingkast, met een magneetje. Er zijn een paar woorden bij gekomen, en achter het woord met het misschien staat nu een ja. Het woord met de nee staat er nog steeds, doorgestreept met een dikke streep, en dat is ook goed.
Ik beslis nog altijd de hele dag over getallen. Maar op vrijdagavond om acht uur hoef ik niets te beslissen. En als ik ooit debiteuren zeg, weet ik dat ze meteen stopt. Dat weten, zo zeker als ik iets weet, is misschien wel het fijnste deel van alles.
