Kalk op haar handen
De eerste keer dat ik Femke zag, hing ze ondersteboven aan de overhang van de boulderhal in Utrecht, met haar hielen gehaakt achter een greep die eruitzag als een opengesneden avocado. Ik stond beneden met mijn handen vol magnesium en vergat dat ik zelf ook nog moest klimmen.
‘Je mag gerust zeggen dat het er stom uitziet,’ riep ze, haar gezicht rood van het bloed dat naar haar hoofd liep.
‘Het ziet er niet stom uit,’ zei ik. ‘Het ziet eruit alsof je zo gaat vallen.’
Ze liet los, draaide in de lucht en landde op haar voeten op de dikke mat, precies naast me. Ze was een kop kleiner dan ik, had kort, donkerblond haar dat aan de zijkanten was opgeschoren en sproeten die tot in haar hals doorliepen. Ze rook naar zweet en citroenshampoo.
‘Femke,’ zei ze, en ze stak een hand uit die net zo wit was als de mijne.
‘Merel.’
‘Nou, Merel, wil je weten hoe je die greep moet pakken?’
Dat was in februari. In de maanden daarna klommen we bijna elke dinsdag- en donderdagavond samen. Ze leerde me hoe ik mijn heupen tegen de wand moest drukken in plaats van met mijn armen te trekken, hoe ik moest vallen zonder mijn enkels te verzwikken, hoe ik moest lezen wat een route van me vroeg voordat ik eraan begon. Ik leerde haar dat je na het klimmen niet alleen een proteïnereep hoeft te eten, maar ook gewoon een bord pasta in het Italiaanse tentje op de hoek mag bestellen.
We praatten over alles. Over haar baan als fysiotherapeut, over mijn werk bij een uitgeverij waar ik de hele dag andermans zinnen rechtzette, over haar ex die naar Kopenhagen was verhuisd, over mijn ex die nog steeds af en toe een berichtje stuurde als ze dronken was. Ik wist dat Femke op vrouwen viel. Zij wist dat ik op vrouwen viel. En toch gebeurde er niets, maandenlang, alsof we allebei bang waren om de beste dinsdagavonden van de week te verpesten.
Tot de avond in juni dat de hal dichtging vanwege een lekkage en we in plaats daarvan naar de klimrotsen in een oude steengroeve bij Winterswijk reden. Femke had een vriendin met een sleutel van het hek, en die vriendin was dat weekend op vakantie.
Het was zaterdag, het was eenendertig graden en er was geen mens. De rotswand was lichtgrijs en warm onder mijn handen. Femke klom als eerste, zonder touw, op een lage route waar je zonder problemen vanaf kon springen. Ik keek naar haar kuiten, naar de spieren in haar schouders die bewogen onder haar sporttopje, naar het zweet dat in een donker streepje langs haar ruggengraat liep. Ik deed geen moeite meer om ergens anders naar te kijken.
‘Jij,’ zei ze toen ze beneden was. Ze veegde haar handen af aan haar korte broek. ‘Jouw beurt.’
Ik klom. Halverwege bleef ik hangen. Mijn rechtervoet vond geen steun en mijn vingers begonnen te branden.
‘Heupen naar de wand,’ zei Femke. Haar stem was ineens heel dichtbij. Ze stond pal onder me, haar handen omhoog, niet om me te duwen, alleen om me op te vangen als ik viel. ‘Vertrouw op je voeten.’
Ik duwde mijn heupen tegen de rots. Mijn voet vond een richeltje. Ik kwam boven, draaide me om op het smalle plateau en keek naar beneden. Femke keek omhoog. Ze lachte niet. Ze keek me alleen maar aan, met haar hoofd een beetje schuin, en ik wist dat het moment eindelijk was gekomen.
Ik klom langzaam terug. Toen mijn voeten de grond raakten, stond ze nog steeds zo dichtbij dat ik haar adem op mijn sleutelbeen voelde.
‘Mag ik je kussen?’ vroeg ik.
‘Ik wacht al sinds februari tot je dat vraagt,’ zei ze.
Ze ging op haar tenen staan en ik boog me naar haar toe. Haar lippen waren zout. Haar handen, nog wit van de magnesium, lagen op mijn wangen en lieten vast twee witte afdrukken achter. Ik trok haar tegen me aan en voelde hoe stevig ze was, hoe warm, hoe haar hart even hard bonsde als het mijne.
We kusten tot een groepje kauwtjes boven ons hoofd begon te krijsen en we allebei in de lach schoten.
‘Er is een meertje,’ zei Femke. ‘Achter die bosrand. Heel klein. Er komt nooit iemand.’
Het meertje was groen en helder en zo stil dat je de libellen hoorde. We trokken onze kleren uit op de warme stenen aan de rand. Ik had haar al honderd keer gezien in een sporttopje, maar nooit zonder. Haar borsten waren klein en stevig, haar tepels donkerroze, haar buik plat met een litteken van een blindedarmoperatie dat ze verlegen met haar hand bedekte. Ik pakte die hand en kuste het litteken.
‘Jij bent mooi,’ zei ze, terwijl ze naar me keek. Ik ben lang, met brede heupen en zware borsten, en ik had me daar vaak ongemakkelijk over gevoeld in de kleedkamer van de hal, tussen al die smalle klimmers. Maar Femke keek naar me alsof ik een route was die ze al maanden wilde proberen.
Het water was koud. We gilden allebei en zwommen naar het midden, waar we elkaar weer vonden, watertrappelend en lachend. Ik sloeg mijn benen om haar middel. Ze kuste mijn hals, mijn kaak, het plekje achter mijn oor waarvan ik zelf niet eens wist dat het zo gevoelig was. Onder water gleed haar hand over mijn heup, mijn dij, en ik hapte naar adem.
‘Is dit goed?’ vroeg ze.
‘Dit is heel goed.’
We zwommen terug naar de kant. Daar lag een platte, door de zon opgewarmde rots, net groot genoeg voor twee. Femke spreidde haar handdoek erover uit en trok me naast zich. Druppels liepen van haar haar op mijn borst. Ze ving er een op met haar tong, bij mijn tepel, en ik kreunde zo hard dat ik schrok van mijn eigen stem.
‘Er komt hier echt nooit iemand?’ fluisterde ik.
‘Echt nooit. En als er iemand komt, horen we eerst de kauwtjes.’
Ze nam de tijd. Dat had ik van haar kunnen weten: ze deed alles met dezelfde geduldige aandacht waarmee ze een route las. Ze kuste mijn borsten, eerst de ene, dan de andere, haar duim cirkelend, haar tong warm na het koude water. Ze kuste zich een weg naar beneden, over mijn buik, langs de rand van mijn schaambeen, en bleef daar even hangen, haar adem tegen mijn huid, tot ik mijn heupen onwillekeurig naar haar toe bewoog.
‘Heupen naar de wand,’ zei ze plagerig, en ik moest zo lachen dat ik bijna van de rots gleed.
Toen voelde ik haar tong, breed en langzaam, en hield het lachen op. Ze likte me alsof ze alle tijd van de wereld had, en dat had ze ook. Ze vond het ritme dat ik nodig had, verloor het met opzet, vond het weer. Ik greep haar korte haar vast en liet het weer los, bang dat ik te hard trok.
‘Je mag trekken,’ mompelde ze tegen me aan. ‘Ik zeg het wel als het te veel is.’
Ik trok. Ze kreunde, en dat geluid, tegen mijn kut aan, deed me bijna meteen klaarkomen. Ze schoof twee vingers in me, krulde ze omhoog, en het gevoel was zo vol en zo precies dat de zon achter mijn oogleden in stukken brak. Ik kwam klaar met mijn rug gebogen van de rots en mijn hielen in de handdoek, en zij bleef bij me, zacht nu, tot ik trillend haar gezicht naar me toe trok.
Ze smaakte naar mij en naar meerwater. Ik draaide ons om, voorzichtig, want de rots was niet groot, en ging boven op haar liggen. Haar huid was droog geworden in de zon en heet onder mijn handen.
‘Wat wil je?’ vroeg ik.
‘Jou,’ zei ze. ‘Je vingers. Langzaam eerst.’
Ik deed precies wat ze vroeg. Ik kuste haar terwijl mijn hand tussen haar benen gleed, en ze was zo nat dat ik even mijn ogen dichtdeed. Ik wreef haar clitoris met twee vingers, in kleine rondjes, zoals ze me toefluisterde. Haar heupen kwamen omhoog. Ze greep mijn bovenarm vast met een klimmersgreep, zo stevig dat ik er de volgende dag vier kleine blauwe plekjes had zitten waar ik stiekem trots op was.
‘Nu erin,’ hijgde ze. ‘Alsjeblieft.’
Ik schoof mijn vingers in haar en zij sloeg haar been om mijn heup en trok me dichterbij. We bewogen samen, haar dij tussen de mijne, mijn hand tussen de hare, en ik voelde dat ik zelf weer opbouwde, alleen door haar tegen me aan te voelen schuren. Ze kwam klaar met een korte, verraste kreet die over het water rolde. De kauwtjes vlogen op. We lagen hijgend tegen elkaar aan en lachten tot ik de tranen in mijn ooghoeken voelde.
Daarna lagen we een hele tijd stil. De zon zakte achter de bomen en de rots bleef warm. Femke tekende met haar vinger patronen op mijn buik, en na een tijdje besefte ik dat ze een route aan het tekenen was: greep, greep, voetje, heup naar de wand.
‘Wat is dat?’ vroeg ik.
‘Het projectje waar ik al sinds februari mee bezig ben,’ zei ze. ‘Ik dacht dat ik hem nooit zou halen.’
‘En?’
‘Ik denk dat ik hem net heb gehaald.’
We reden pas tegen tienen terug naar Utrecht, met natte haren en zand in onze schoenen. In de auto hield ze mijn hand vast op de versnellingspook, zodat ik telkens moest vragen of ze even los wilde laten als ik moest schakelen. Ze liet steeds een beetje later los.
Dat is nu anderhalf jaar geleden. We klimmen nog steeds op dinsdag en donderdag, al gaan we daarna niet meer naar het Italiaanse tentje, maar naar huis. Naar ons huis, sinds afgelopen voorjaar, met een hangbord boven de deur van de slaapkamer waar Femke elke ochtend aan hangt terwijl ik koffie zet.
En elk jaar in juni, op de eerste warme zaterdag, rijden we naar Winterswijk. De vriendin met de sleutel weet inmiddels waarom we hem altijd in juni willen lenen. Ze vraagt er niet meer naar. Ze geeft ons gewoon de sleutel, en zegt dat we de kauwtjes de groeten moeten doen.
‘Je mag gerust zeggen dat het er stom uitziet,’ riep ze, haar gezicht rood van het bloed dat naar haar hoofd liep.
‘Het ziet er niet stom uit,’ zei ik. ‘Het ziet eruit alsof je zo gaat vallen.’
Ze liet los, draaide in de lucht en landde op haar voeten op de dikke mat, precies naast me. Ze was een kop kleiner dan ik, had kort, donkerblond haar dat aan de zijkanten was opgeschoren en sproeten die tot in haar hals doorliepen. Ze rook naar zweet en citroenshampoo.
‘Femke,’ zei ze, en ze stak een hand uit die net zo wit was als de mijne.
‘Merel.’
‘Nou, Merel, wil je weten hoe je die greep moet pakken?’
Dat was in februari. In de maanden daarna klommen we bijna elke dinsdag- en donderdagavond samen. Ze leerde me hoe ik mijn heupen tegen de wand moest drukken in plaats van met mijn armen te trekken, hoe ik moest vallen zonder mijn enkels te verzwikken, hoe ik moest lezen wat een route van me vroeg voordat ik eraan begon. Ik leerde haar dat je na het klimmen niet alleen een proteïnereep hoeft te eten, maar ook gewoon een bord pasta in het Italiaanse tentje op de hoek mag bestellen.
We praatten over alles. Over haar baan als fysiotherapeut, over mijn werk bij een uitgeverij waar ik de hele dag andermans zinnen rechtzette, over haar ex die naar Kopenhagen was verhuisd, over mijn ex die nog steeds af en toe een berichtje stuurde als ze dronken was. Ik wist dat Femke op vrouwen viel. Zij wist dat ik op vrouwen viel. En toch gebeurde er niets, maandenlang, alsof we allebei bang waren om de beste dinsdagavonden van de week te verpesten.
Tot de avond in juni dat de hal dichtging vanwege een lekkage en we in plaats daarvan naar de klimrotsen in een oude steengroeve bij Winterswijk reden. Femke had een vriendin met een sleutel van het hek, en die vriendin was dat weekend op vakantie.
Het was zaterdag, het was eenendertig graden en er was geen mens. De rotswand was lichtgrijs en warm onder mijn handen. Femke klom als eerste, zonder touw, op een lage route waar je zonder problemen vanaf kon springen. Ik keek naar haar kuiten, naar de spieren in haar schouders die bewogen onder haar sporttopje, naar het zweet dat in een donker streepje langs haar ruggengraat liep. Ik deed geen moeite meer om ergens anders naar te kijken.
‘Jij,’ zei ze toen ze beneden was. Ze veegde haar handen af aan haar korte broek. ‘Jouw beurt.’
Ik klom. Halverwege bleef ik hangen. Mijn rechtervoet vond geen steun en mijn vingers begonnen te branden.
‘Heupen naar de wand,’ zei Femke. Haar stem was ineens heel dichtbij. Ze stond pal onder me, haar handen omhoog, niet om me te duwen, alleen om me op te vangen als ik viel. ‘Vertrouw op je voeten.’
Ik duwde mijn heupen tegen de rots. Mijn voet vond een richeltje. Ik kwam boven, draaide me om op het smalle plateau en keek naar beneden. Femke keek omhoog. Ze lachte niet. Ze keek me alleen maar aan, met haar hoofd een beetje schuin, en ik wist dat het moment eindelijk was gekomen.
Ik klom langzaam terug. Toen mijn voeten de grond raakten, stond ze nog steeds zo dichtbij dat ik haar adem op mijn sleutelbeen voelde.
‘Mag ik je kussen?’ vroeg ik.
‘Ik wacht al sinds februari tot je dat vraagt,’ zei ze.
Ze ging op haar tenen staan en ik boog me naar haar toe. Haar lippen waren zout. Haar handen, nog wit van de magnesium, lagen op mijn wangen en lieten vast twee witte afdrukken achter. Ik trok haar tegen me aan en voelde hoe stevig ze was, hoe warm, hoe haar hart even hard bonsde als het mijne.
We kusten tot een groepje kauwtjes boven ons hoofd begon te krijsen en we allebei in de lach schoten.
‘Er is een meertje,’ zei Femke. ‘Achter die bosrand. Heel klein. Er komt nooit iemand.’
Het meertje was groen en helder en zo stil dat je de libellen hoorde. We trokken onze kleren uit op de warme stenen aan de rand. Ik had haar al honderd keer gezien in een sporttopje, maar nooit zonder. Haar borsten waren klein en stevig, haar tepels donkerroze, haar buik plat met een litteken van een blindedarmoperatie dat ze verlegen met haar hand bedekte. Ik pakte die hand en kuste het litteken.
‘Jij bent mooi,’ zei ze, terwijl ze naar me keek. Ik ben lang, met brede heupen en zware borsten, en ik had me daar vaak ongemakkelijk over gevoeld in de kleedkamer van de hal, tussen al die smalle klimmers. Maar Femke keek naar me alsof ik een route was die ze al maanden wilde proberen.
Het water was koud. We gilden allebei en zwommen naar het midden, waar we elkaar weer vonden, watertrappelend en lachend. Ik sloeg mijn benen om haar middel. Ze kuste mijn hals, mijn kaak, het plekje achter mijn oor waarvan ik zelf niet eens wist dat het zo gevoelig was. Onder water gleed haar hand over mijn heup, mijn dij, en ik hapte naar adem.
‘Is dit goed?’ vroeg ze.
‘Dit is heel goed.’
We zwommen terug naar de kant. Daar lag een platte, door de zon opgewarmde rots, net groot genoeg voor twee. Femke spreidde haar handdoek erover uit en trok me naast zich. Druppels liepen van haar haar op mijn borst. Ze ving er een op met haar tong, bij mijn tepel, en ik kreunde zo hard dat ik schrok van mijn eigen stem.
‘Er komt hier echt nooit iemand?’ fluisterde ik.
‘Echt nooit. En als er iemand komt, horen we eerst de kauwtjes.’
Ze nam de tijd. Dat had ik van haar kunnen weten: ze deed alles met dezelfde geduldige aandacht waarmee ze een route las. Ze kuste mijn borsten, eerst de ene, dan de andere, haar duim cirkelend, haar tong warm na het koude water. Ze kuste zich een weg naar beneden, over mijn buik, langs de rand van mijn schaambeen, en bleef daar even hangen, haar adem tegen mijn huid, tot ik mijn heupen onwillekeurig naar haar toe bewoog.
‘Heupen naar de wand,’ zei ze plagerig, en ik moest zo lachen dat ik bijna van de rots gleed.
Toen voelde ik haar tong, breed en langzaam, en hield het lachen op. Ze likte me alsof ze alle tijd van de wereld had, en dat had ze ook. Ze vond het ritme dat ik nodig had, verloor het met opzet, vond het weer. Ik greep haar korte haar vast en liet het weer los, bang dat ik te hard trok.
‘Je mag trekken,’ mompelde ze tegen me aan. ‘Ik zeg het wel als het te veel is.’
Ik trok. Ze kreunde, en dat geluid, tegen mijn kut aan, deed me bijna meteen klaarkomen. Ze schoof twee vingers in me, krulde ze omhoog, en het gevoel was zo vol en zo precies dat de zon achter mijn oogleden in stukken brak. Ik kwam klaar met mijn rug gebogen van de rots en mijn hielen in de handdoek, en zij bleef bij me, zacht nu, tot ik trillend haar gezicht naar me toe trok.
Ze smaakte naar mij en naar meerwater. Ik draaide ons om, voorzichtig, want de rots was niet groot, en ging boven op haar liggen. Haar huid was droog geworden in de zon en heet onder mijn handen.
‘Wat wil je?’ vroeg ik.
‘Jou,’ zei ze. ‘Je vingers. Langzaam eerst.’
Ik deed precies wat ze vroeg. Ik kuste haar terwijl mijn hand tussen haar benen gleed, en ze was zo nat dat ik even mijn ogen dichtdeed. Ik wreef haar clitoris met twee vingers, in kleine rondjes, zoals ze me toefluisterde. Haar heupen kwamen omhoog. Ze greep mijn bovenarm vast met een klimmersgreep, zo stevig dat ik er de volgende dag vier kleine blauwe plekjes had zitten waar ik stiekem trots op was.
‘Nu erin,’ hijgde ze. ‘Alsjeblieft.’
Ik schoof mijn vingers in haar en zij sloeg haar been om mijn heup en trok me dichterbij. We bewogen samen, haar dij tussen de mijne, mijn hand tussen de hare, en ik voelde dat ik zelf weer opbouwde, alleen door haar tegen me aan te voelen schuren. Ze kwam klaar met een korte, verraste kreet die over het water rolde. De kauwtjes vlogen op. We lagen hijgend tegen elkaar aan en lachten tot ik de tranen in mijn ooghoeken voelde.
Daarna lagen we een hele tijd stil. De zon zakte achter de bomen en de rots bleef warm. Femke tekende met haar vinger patronen op mijn buik, en na een tijdje besefte ik dat ze een route aan het tekenen was: greep, greep, voetje, heup naar de wand.
‘Wat is dat?’ vroeg ik.
‘Het projectje waar ik al sinds februari mee bezig ben,’ zei ze. ‘Ik dacht dat ik hem nooit zou halen.’
‘En?’
‘Ik denk dat ik hem net heb gehaald.’
We reden pas tegen tienen terug naar Utrecht, met natte haren en zand in onze schoenen. In de auto hield ze mijn hand vast op de versnellingspook, zodat ik telkens moest vragen of ze even los wilde laten als ik moest schakelen. Ze liet steeds een beetje later los.
Dat is nu anderhalf jaar geleden. We klimmen nog steeds op dinsdag en donderdag, al gaan we daarna niet meer naar het Italiaanse tentje, maar naar huis. Naar ons huis, sinds afgelopen voorjaar, met een hangbord boven de deur van de slaapkamer waar Femke elke ochtend aan hangt terwijl ik koffie zet.
En elk jaar in juni, op de eerste warme zaterdag, rijden we naar Winterswijk. De vriendin met de sleutel weet inmiddels waarom we hem altijd in juni willen lenen. Ze vraagt er niet meer naar. Ze geeft ons gewoon de sleutel, en zegt dat we de kauwtjes de groeten moeten doen.
