Geen boot meer na half vijf
Om kwart over vijf hing er een geel papiertje op het loket van de veerdienst in 't Horntje. Ik las het twee keer voordat het tot me doordrong. Vanwege windkracht negen waren alle afvaarten na 16.30 uur geannuleerd. De eerste boot zou de volgende ochtend om zes uur vertrekken, als het weer het toeliet.
Ik stond daar met mijn camerarugzak, natte schoenen en een telefoon met nog elf procent batterij. Ik had de hele dag op het strand bij De Koog gestaan om de storm te fotograferen voor een tijdschrift, en ik had zo ingespannen naar de golven gekeken dat ik geen moment naar de klok of naar de berichten van de veerdienst had gekeken. Mijn auto stond in Den Helder. Mijn bed stond in Haarlem. En ik stond hier.
'Dat is pech, hè.'
Ik draaide me om. Achter me stond een man in een donkerblauwe jas met het logo van de rederij op de borst. Hij had een muts diep over zijn oren getrokken, maar ik zag een paar donkere krullen eronderuit komen en een baard van een paar dagen. Hij was ongeveer even oud als ik, misschien iets jonger.
'Pech is een groot woord,' zei ik. 'Het is mijn eigen schuld. Ik heb niet opgelet.'
'Je bent niet de enige. Er hebben er vandaag al twintig voor dat papiertje gestaan.' Hij keek naar mijn rugzak. 'Fotograaf?'
'Voor mijn werk. Ik heb de mooiste foto's van mijn leven gemaakt en nu heb ik geen slaapplaats.'
Hij lachte, een korte, warme lach die niet bij het weer paste. 'De hotels zijn vol. Iedereen die is blijven hangen heeft de laatste kamers al. Ik heb net nog drie mensen naar het hostel in Den Burg gestuurd, en daar was het ook bijna op.'
Ik voelde mijn schouders zakken. De wind rukte aan de vlaggenmasten en de regen kwam bijna horizontaal over het parkeerterrein.
Hij keek me een paar seconden aan, alsof hij iets afwoog. 'Ik woon hier tien minuten vandaan,' zei hij toen. 'Ik heb een bank. Hij is niet geweldig, maar hij is droog. En ik heb soep.'
'Dat kan ik niet aannemen.'
'Je kunt ook hier in de wachtruimte gaan zitten tot zes uur morgenochtend. Die gaat om tien uur dicht, trouwens.' Hij stak zijn hand uit. 'Ruben.'
'Thijs,' zei ik, en ik schudde zijn hand. Die was warm, ondanks de kou. Ik weet nog dat ik dat vreemd vond.
Zijn huis was een klein arbeidershuisje aan een dijkje, met een schuurtje vol fietsen en een kat die me vanaf de vensterbank kritisch aankeek. Binnen rook het naar hout en uien. Ruben trok zijn jas uit en ik zag dat hij breed was in zijn schouders, met de onderarmen van iemand die de hele dag touwen trekt en kettingen vastzet. Hij gaf me een handdoek en een droog shirt van zichzelf, dat me iets te ruim zat, en zette een pan op het fornuis.
We aten aan een tafeltje bij het raam terwijl de storm tegen de ruiten beukte. Hij vertelde dat hij op Texel was opgegroeid, een paar jaar in Amsterdam had gewoond en was teruggekomen omdat hij de lucht miste. Ik vertelde over de stad, over mijn werk, over de relatie die een jaar eerder was geëindigd en waar ik nog steeds niet goed over kon praten zonder te veel te praten. Hij luisterde. Hij keek me aan als ik sprak, op een manier die ik lang niet had meegemaakt: niet afwachtend, niet ongeduldig, gewoon aandachtig.
Na het eten liet ik hem de foto's zien op het schermpje van mijn camera. Hij ging naast me op de bank zitten om mee te kijken, zo dicht dat ik de warmte van zijn dij tegen de mijne voelde. Bij een foto van een golf die over de strandpaal sloeg, met een streep licht erachter, bleef hij stil.
'Die is prachtig,' zei hij zacht.
'Dank je.'
Ik keek opzij. Hij keek niet meer naar het scherm. Hij keek naar mij. Het licht van de leeslamp viel over de helft van zijn gezicht en ik zag een klein litteken in zijn wenkbrauw.
'Mag ik iets vragen?' zei hij.
'Ja.'
'Is het raar als ik zeg dat ik je al zag staan bij het loket, voordat je dat papiertje las? Dat ik toen al hoopte dat je de boot zou missen?'
Mijn hart begon zo hard te slaan dat ik zeker wist dat hij het kon horen. 'Dat is heel raar,' zei ik. 'En ook het liefste wat iemand in tijden tegen me heeft gezegd.'
Hij legde de camera voorzichtig op de salontafel. Toen legde hij zijn hand tegen mijn kaak, langzaam, alsof hij me de tijd wilde geven om weg te draaien. Ik draaide niet weg. Ik boog naar hem toe.
Zijn mond was zacht en zijn baard schuurde over mijn kin. Hij kuste me eerst voorzichtig, daarna dieper, en ik merkte dat ik mijn hand in zijn shirt had gekruld en hem tegen me aan trok. Hij smaakte naar soep en zout en iets wat alleen van hem was. Buiten huilde de wind, binnen hoorde ik alleen onze adem.
'Is dit oké?' fluisterde hij tegen mijn lippen.
'Meer dan oké.'
Hij trok het geleende shirt over mijn hoofd en lachte zacht. 'Dat had ik je net pas gegeven.'
'Je mag het terug.'
Ik trok aan zijn trui en hij hielp mee. Zijn borst was warm en behaard, en toen ik er mijn hand op legde voelde ik zijn hart even snel kloppen als het mijne. Hij duwde me achterover op de bank, kuste mijn hals, mijn sleutelbeen, de lijn van mijn borst. Ik voelde zijn tong om mijn tepel draaien en kreunde, harder dan ik bedoelde. De kat sprong verontwaardigd van de vensterbank en verdween in de keuken. We moesten allebei lachen, en dat lachen maakte alles lichter.
'Slaapkamer,' zei Ruben. 'Die bank is echt niet geweldig.'
Zijn slaapkamer was klein, met een schuin dak waar de regen op roffelde. Hij deed het lampje naast het bed aan en trok me naar zich toe. We kleedden elkaar verder uit, onhandig, haastig, met knopen die niet meewerkten en een broek die bleef haken aan mijn natte sokken. Toen we eindelijk naakt tegenover elkaar stonden, bleven we even staan. Hij keek naar me zoals hij naar die foto had gekeken.
'Je bent mooi,' zei hij.
Ik wist niet wat ik moest zeggen, dus ik kuste hem. Ik voelde zijn harde lul tegen mijn buik drukken en nam hem in mijn hand. Hij was warm en zwaar, en toen ik hem langzaam begon te strelen, liet Ruben zijn voorhoofd tegen mijn schouder zakken en ademde hij diep uit.
We lieten ons op het bed vallen. Hij lag boven me, zijn gewicht op zijn ellebogen, en wreef zich tegen me aan tot we allebei glibberig waren van voorvocht. Toen gleed hij naar beneden. Zijn adem streek over mijn buik, over mijn dijen, en toen sloot zijn mond zich om me heen. Ik greep in het laken. Hij nam me langzaam en diep, met zijn hand om de basis, en keek af en toe omhoog met een blik waar ik bijna van klaarkwam.
'Wacht,' hijgde ik. 'Niet nog. Ik wil jou ook.'
Ik draaide ons om en kroop over hem heen. Ik nam hem in mijn mond en proefde zout en huid. Hij kreunde mijn naam, en ik vond het het mooiste geluid van die hele stormachtige dag. Ik streelde zijn ballen, liet mijn vingers verder glijden, en voelde hoe hij zijn heupen naar me toe kantelde.
'In het laatje,' zei hij schor. 'Glijmiddel. Condooms.'
Ik reikte naar het nachtkastje. Mijn handen trilden een beetje toen ik het pakje openscheurde. Hij nam het van me over, rolde het bij mij om, langzaam, terwijl hij me aankeek. Daarna smeerde hij zichzelf in en trok hij me boven op zich.
'Ik wil jou,' zei hij. 'Zo. Dan kan ik je zien.'
Ik drukte me langzaam tegen hem aan. Hij was warm en strak en hij hield zijn handen op mijn heupen, sturend, geduldig. Centimeter voor centimeter gleed ik in hem, tot ik helemaal in hem zat en we allebei stil bleven liggen, voorhoofd tegen voorhoofd. Ik voelde zijn hart tegen mijn borst. De regen op het dak klonk als applaus van heel ver weg.
Toen begon ik te bewegen. Eerst langzaam, lange halen, waarbij hij elke keer zachtjes kreunde. Hij sloeg zijn benen om mijn middel en trok me dieper, en het ritme werd sneller zonder dat we het afspraken. Ik nam zijn lul in mijn hand en trok hem af op hetzelfde tempo. Zijn ademhaling brak in korte stukjes.
'Thijs,' zei hij. 'Ik ga...'
'Ja,' zei ik. 'Laat maar komen.'
Hij spande zich om me heen, zo hard dat ik sterretjes zag, en kwam schokkend over mijn hand en zijn eigen buik. Dat gevoel, hoe hij zich om me heen samentrok, nam mij mee. Ik duwde nog drie, vier keer en kwam diep in hem, met mijn gezicht in zijn hals en zijn handen in mijn haar.
Daarna lagen we lang stil. Hij haalde een handdoek, veegde ons schoon, trok het dekbed over ons heen. De wind was iets gaan liggen. Ergens beneden hoorde ik de kat miauwen bij de keukendeur.
'Dit was niet waarom ik je mee naar huis nam,' zei Ruben in het donker.
'Dat weet ik.'
'Maar ik ben blij dat het zo ging.'
'Ik ook.' Ik draaide mijn hoofd naar hem toe. 'Wat doe je morgen?'
'Morgen werk ik op de boot van zes uur.' Hij grinnikte. 'Dus ik breng je persoonlijk naar de overkant.'
We sliepen een paar uur, lepeltje lepeltje, zijn arm zwaar over mijn borst. Om half vijf ging zijn wekker. Hij zette koffie terwijl ik mijn camera inpakte, en we fietsten samen door de natte duisternis naar de haven, de wind nu in de rug.
Op de boot stond hij in zijn blauwe jas bij de klep en zwaaide de auto's naar binnen. Ik stond aan dek en keek naar hem. Toen we in Den Helder aanmeerden, kwam hij nog even naar boven, zogenaamd om iets te controleren.
'Je hebt mijn nummer,' zei hij.
'Ik heb je nummer.'
'Volgende storm,' zei hij, 'kom je dan weer fotograferen?'
'Ik wacht niet op een storm,' zei ik.
Drie weken later stond ik weer in 't Horntje, met een weekendtas en zonder camera. Het was windstil en de zon scheen. Ruben stond bij het loket op me te wachten, en er hing geen geel papiertje. Ik had de boot niet gemist. Dit keer had ik hem bewust genomen.
Ik stond daar met mijn camerarugzak, natte schoenen en een telefoon met nog elf procent batterij. Ik had de hele dag op het strand bij De Koog gestaan om de storm te fotograferen voor een tijdschrift, en ik had zo ingespannen naar de golven gekeken dat ik geen moment naar de klok of naar de berichten van de veerdienst had gekeken. Mijn auto stond in Den Helder. Mijn bed stond in Haarlem. En ik stond hier.
'Dat is pech, hè.'
Ik draaide me om. Achter me stond een man in een donkerblauwe jas met het logo van de rederij op de borst. Hij had een muts diep over zijn oren getrokken, maar ik zag een paar donkere krullen eronderuit komen en een baard van een paar dagen. Hij was ongeveer even oud als ik, misschien iets jonger.
'Pech is een groot woord,' zei ik. 'Het is mijn eigen schuld. Ik heb niet opgelet.'
'Je bent niet de enige. Er hebben er vandaag al twintig voor dat papiertje gestaan.' Hij keek naar mijn rugzak. 'Fotograaf?'
'Voor mijn werk. Ik heb de mooiste foto's van mijn leven gemaakt en nu heb ik geen slaapplaats.'
Hij lachte, een korte, warme lach die niet bij het weer paste. 'De hotels zijn vol. Iedereen die is blijven hangen heeft de laatste kamers al. Ik heb net nog drie mensen naar het hostel in Den Burg gestuurd, en daar was het ook bijna op.'
Ik voelde mijn schouders zakken. De wind rukte aan de vlaggenmasten en de regen kwam bijna horizontaal over het parkeerterrein.
Hij keek me een paar seconden aan, alsof hij iets afwoog. 'Ik woon hier tien minuten vandaan,' zei hij toen. 'Ik heb een bank. Hij is niet geweldig, maar hij is droog. En ik heb soep.'
'Dat kan ik niet aannemen.'
'Je kunt ook hier in de wachtruimte gaan zitten tot zes uur morgenochtend. Die gaat om tien uur dicht, trouwens.' Hij stak zijn hand uit. 'Ruben.'
'Thijs,' zei ik, en ik schudde zijn hand. Die was warm, ondanks de kou. Ik weet nog dat ik dat vreemd vond.
Zijn huis was een klein arbeidershuisje aan een dijkje, met een schuurtje vol fietsen en een kat die me vanaf de vensterbank kritisch aankeek. Binnen rook het naar hout en uien. Ruben trok zijn jas uit en ik zag dat hij breed was in zijn schouders, met de onderarmen van iemand die de hele dag touwen trekt en kettingen vastzet. Hij gaf me een handdoek en een droog shirt van zichzelf, dat me iets te ruim zat, en zette een pan op het fornuis.
We aten aan een tafeltje bij het raam terwijl de storm tegen de ruiten beukte. Hij vertelde dat hij op Texel was opgegroeid, een paar jaar in Amsterdam had gewoond en was teruggekomen omdat hij de lucht miste. Ik vertelde over de stad, over mijn werk, over de relatie die een jaar eerder was geëindigd en waar ik nog steeds niet goed over kon praten zonder te veel te praten. Hij luisterde. Hij keek me aan als ik sprak, op een manier die ik lang niet had meegemaakt: niet afwachtend, niet ongeduldig, gewoon aandachtig.
Na het eten liet ik hem de foto's zien op het schermpje van mijn camera. Hij ging naast me op de bank zitten om mee te kijken, zo dicht dat ik de warmte van zijn dij tegen de mijne voelde. Bij een foto van een golf die over de strandpaal sloeg, met een streep licht erachter, bleef hij stil.
'Die is prachtig,' zei hij zacht.
'Dank je.'
Ik keek opzij. Hij keek niet meer naar het scherm. Hij keek naar mij. Het licht van de leeslamp viel over de helft van zijn gezicht en ik zag een klein litteken in zijn wenkbrauw.
'Mag ik iets vragen?' zei hij.
'Ja.'
'Is het raar als ik zeg dat ik je al zag staan bij het loket, voordat je dat papiertje las? Dat ik toen al hoopte dat je de boot zou missen?'
Mijn hart begon zo hard te slaan dat ik zeker wist dat hij het kon horen. 'Dat is heel raar,' zei ik. 'En ook het liefste wat iemand in tijden tegen me heeft gezegd.'
Hij legde de camera voorzichtig op de salontafel. Toen legde hij zijn hand tegen mijn kaak, langzaam, alsof hij me de tijd wilde geven om weg te draaien. Ik draaide niet weg. Ik boog naar hem toe.
Zijn mond was zacht en zijn baard schuurde over mijn kin. Hij kuste me eerst voorzichtig, daarna dieper, en ik merkte dat ik mijn hand in zijn shirt had gekruld en hem tegen me aan trok. Hij smaakte naar soep en zout en iets wat alleen van hem was. Buiten huilde de wind, binnen hoorde ik alleen onze adem.
'Is dit oké?' fluisterde hij tegen mijn lippen.
'Meer dan oké.'
Hij trok het geleende shirt over mijn hoofd en lachte zacht. 'Dat had ik je net pas gegeven.'
'Je mag het terug.'
Ik trok aan zijn trui en hij hielp mee. Zijn borst was warm en behaard, en toen ik er mijn hand op legde voelde ik zijn hart even snel kloppen als het mijne. Hij duwde me achterover op de bank, kuste mijn hals, mijn sleutelbeen, de lijn van mijn borst. Ik voelde zijn tong om mijn tepel draaien en kreunde, harder dan ik bedoelde. De kat sprong verontwaardigd van de vensterbank en verdween in de keuken. We moesten allebei lachen, en dat lachen maakte alles lichter.
'Slaapkamer,' zei Ruben. 'Die bank is echt niet geweldig.'
Zijn slaapkamer was klein, met een schuin dak waar de regen op roffelde. Hij deed het lampje naast het bed aan en trok me naar zich toe. We kleedden elkaar verder uit, onhandig, haastig, met knopen die niet meewerkten en een broek die bleef haken aan mijn natte sokken. Toen we eindelijk naakt tegenover elkaar stonden, bleven we even staan. Hij keek naar me zoals hij naar die foto had gekeken.
'Je bent mooi,' zei hij.
Ik wist niet wat ik moest zeggen, dus ik kuste hem. Ik voelde zijn harde lul tegen mijn buik drukken en nam hem in mijn hand. Hij was warm en zwaar, en toen ik hem langzaam begon te strelen, liet Ruben zijn voorhoofd tegen mijn schouder zakken en ademde hij diep uit.
We lieten ons op het bed vallen. Hij lag boven me, zijn gewicht op zijn ellebogen, en wreef zich tegen me aan tot we allebei glibberig waren van voorvocht. Toen gleed hij naar beneden. Zijn adem streek over mijn buik, over mijn dijen, en toen sloot zijn mond zich om me heen. Ik greep in het laken. Hij nam me langzaam en diep, met zijn hand om de basis, en keek af en toe omhoog met een blik waar ik bijna van klaarkwam.
'Wacht,' hijgde ik. 'Niet nog. Ik wil jou ook.'
Ik draaide ons om en kroop over hem heen. Ik nam hem in mijn mond en proefde zout en huid. Hij kreunde mijn naam, en ik vond het het mooiste geluid van die hele stormachtige dag. Ik streelde zijn ballen, liet mijn vingers verder glijden, en voelde hoe hij zijn heupen naar me toe kantelde.
'In het laatje,' zei hij schor. 'Glijmiddel. Condooms.'
Ik reikte naar het nachtkastje. Mijn handen trilden een beetje toen ik het pakje openscheurde. Hij nam het van me over, rolde het bij mij om, langzaam, terwijl hij me aankeek. Daarna smeerde hij zichzelf in en trok hij me boven op zich.
'Ik wil jou,' zei hij. 'Zo. Dan kan ik je zien.'
Ik drukte me langzaam tegen hem aan. Hij was warm en strak en hij hield zijn handen op mijn heupen, sturend, geduldig. Centimeter voor centimeter gleed ik in hem, tot ik helemaal in hem zat en we allebei stil bleven liggen, voorhoofd tegen voorhoofd. Ik voelde zijn hart tegen mijn borst. De regen op het dak klonk als applaus van heel ver weg.
Toen begon ik te bewegen. Eerst langzaam, lange halen, waarbij hij elke keer zachtjes kreunde. Hij sloeg zijn benen om mijn middel en trok me dieper, en het ritme werd sneller zonder dat we het afspraken. Ik nam zijn lul in mijn hand en trok hem af op hetzelfde tempo. Zijn ademhaling brak in korte stukjes.
'Thijs,' zei hij. 'Ik ga...'
'Ja,' zei ik. 'Laat maar komen.'
Hij spande zich om me heen, zo hard dat ik sterretjes zag, en kwam schokkend over mijn hand en zijn eigen buik. Dat gevoel, hoe hij zich om me heen samentrok, nam mij mee. Ik duwde nog drie, vier keer en kwam diep in hem, met mijn gezicht in zijn hals en zijn handen in mijn haar.
Daarna lagen we lang stil. Hij haalde een handdoek, veegde ons schoon, trok het dekbed over ons heen. De wind was iets gaan liggen. Ergens beneden hoorde ik de kat miauwen bij de keukendeur.
'Dit was niet waarom ik je mee naar huis nam,' zei Ruben in het donker.
'Dat weet ik.'
'Maar ik ben blij dat het zo ging.'
'Ik ook.' Ik draaide mijn hoofd naar hem toe. 'Wat doe je morgen?'
'Morgen werk ik op de boot van zes uur.' Hij grinnikte. 'Dus ik breng je persoonlijk naar de overkant.'
We sliepen een paar uur, lepeltje lepeltje, zijn arm zwaar over mijn borst. Om half vijf ging zijn wekker. Hij zette koffie terwijl ik mijn camera inpakte, en we fietsten samen door de natte duisternis naar de haven, de wind nu in de rug.
Op de boot stond hij in zijn blauwe jas bij de klep en zwaaide de auto's naar binnen. Ik stond aan dek en keek naar hem. Toen we in Den Helder aanmeerden, kwam hij nog even naar boven, zogenaamd om iets te controleren.
'Je hebt mijn nummer,' zei hij.
'Ik heb je nummer.'
'Volgende storm,' zei hij, 'kom je dan weer fotograferen?'
'Ik wacht niet op een storm,' zei ik.
Drie weken later stond ik weer in 't Horntje, met een weekendtas en zonder camera. Het was windstil en de zon scheen. Ruben stond bij het loket op me te wachten, en er hing geen geel papiertje. Ik had de boot niet gemist. Dit keer had ik hem bewust genomen.
