Een ketting die steeds eraf liep
De ketting van mijn fiets liep er voor de derde keer die week af, precies voor het huis van de nieuwe buurman. Ik stond op de stoep met zwarte vingers en een humeur om op te schieten, en toen ging zijn voordeur open.
'Dat ding haat je,' zei hij.
'Het is wederzijds,' zei ik.
Hij heette Tobias. Dat wist ik van het naambordje dat sinds twee weken naast zijn bel hing, en van de verhuisdoos die ik hem had helpen tillen toen zijn broer hem liet zitten. Verder wist ik dat hij een jaar of vijfendertig was, net als ik, dat hij brede schouders had en een baard die hij duidelijk zelf bijhield, en dat hij 's avonds laat nog piano speelde, zacht, met de ramen open. Dat laatste had ik nooit tegen hem gezegd.
'Geef maar,' zei hij, en hij hurkte naast mijn fiets alsof hij nooit anders deed. Binnen een minuut lag de ketting weer op het tandwiel. 'Je derailleur staat scheef. En je ketting is uitgerekt. Als je wilt kijk ik er zaterdag naar. Ik heb gereedschap.'
'Dat hoef je niet te doen.'
'Weet ik.' Hij keek omhoog, met zijn handen op zijn knieën, en lachte. 'Zaterdag. Tien uur. Ik zet koffie.'
Zaterdag om tien uur stond ik met mijn fiets aan de hand in zijn achtertuin. Hij had een schuur vol gereedschap, netjes aan haakjes, en een radio die zachtjes jazz speelde. Hij zette mijn fiets ondersteboven op een oude deken en legde me uit wat hij deed, en ik verstond er de helft van, omdat ik vooral naar zijn handen keek. Grote handen, met olie op de knokkels, die verrassend teder met de kleine onderdelen omgingen.
'Je luistert niet,' zei hij na een tijdje.
'Ik luister wel.'
'Wat is een derailleur dan?'
'Dat ding,' zei ik, en ik wees op willekeurig iets. Hij lachte zo hard dat hij een schroefje liet vallen, en we zochten er samen naar in het gras, op handen en knieën, met onze schouders tegen elkaar.
Na die zaterdag kwamen er meer. Hij nam me mee naar een fietsenwinkel om een nieuwe ketting uit te zoeken. Ik nodigde hem uit voor een biertje als bedankje. Hij kookte een keer, risotto, en ik bleef tot middernacht hangen in zijn keuken terwijl hij vertelde over zijn vorige relatie, acht jaar met een man die uiteindelijk naar Lissabon was vertrokken zonder hem. Ik vertelde over mijn eigen geschiedenis, die korter en rommeliger was. We ontdekten dat we allebei slecht waren in afscheid nemen en goed in koffie zetten.
Ik wist al vrij snel dat ik verliefd aan het worden was. Ik wist alleen niet of hij het ook zag.
Op een avond in oktober zat ik bij mijn open raam en hoorde hem weer spelen. Een langzaam stuk, iets wat ik niet kende, met een melodie die steeds terugkwam en elke keer een beetje anders was. Ik luisterde tot het ophield. Toen pakte ik mijn telefoon en stuurde hem een berichtje.
'Wat was dat?'
Even later: 'Je hebt me gehoord?'
'Ik hoor je al weken.'
Er kwam lang niets. Toen: 'Kom maar luisteren dan. De deur is open.'
Zijn woonkamer was donker op een lamp na, die boven de piano hing en een warme cirkel op de toetsen gooide. Hij zat op het bankje, in een grijs T-shirt en een spijkerbroek, op blote voeten. Hij schoof een stukje op. Ik ging naast hem zitten. Ons bovenbeen raakte elkaar.
'Het is van mezelf,' zei hij zacht. 'Dat stuk. Ik ben er al een tijdje mee bezig.'
'Speel het nog eens.'
Hij speelde het nog eens. Van zo dichtbij hoorde ik dingen die ik door het raam had gemist: hoe hij bij sommige noten even aarzelde, hoe zijn adem meeging met de melodie. Halverwege legde ik mijn hand op zijn rug, tussen zijn schouderbladen, zomaar, zonder erover na te denken. Hij miste een noot. Hij speelde door. Aan het eind bleef het laatste akkoord lang in de kamer hangen.
'Milan,' zei hij, zonder zich om te draaien.
'Ja.'
'Als ik het verkeerd zie, moet je het nu zeggen.'
'Je ziet het niet verkeerd.'
Toen draaide hij zich naar me toe en kuste me. Zijn baard schuurde zacht tegen mijn kin, zijn lippen waren warm en een beetje onzeker, en ik voelde zijn hand naar mijn nek gaan en daar blijven liggen. Ik kuste hem terug, langzaam, en het was alsof alle weken van biertjes en risotto en fietskettingen in één keer op hun plek vielen.
We bleven lang op dat pianobankje zitten. Kussen, ophouden, naar elkaar kijken, weer kussen. Hij lachte zacht tegen mijn mond. Ik trok zijn T-shirt omhoog en liet mijn handen over zijn rug glijden, over de warme huid, de spieren die bewogen onder mijn vingers. Hij ademde diep in en drukte zijn voorhoofd tegen het mijne.
'Boven,' zei hij. 'Het bankje is niet gemaakt voor twee.'
Zijn slaapkamer was eenvoudig: een groot bed, boeken op de vloer, het raam open naar de tuinen. We kleedden elkaar langzaam uit, alsof we bang waren iets te missen. Ik kuste zijn borst, zijn buik, de lijn van haar die onder zijn navel verdween. Hij trok mijn trui over mijn hoofd en bleef even naar me kijken in het halfdonker, met een blik zo open dat ik er bijna verlegen van werd.
'Je bent mooi,' zei hij. Gewoon, alsof het een feit was.
We lieten ons op het bed vallen, huid tegen huid. Ik voelde hoe hard hij was tegen mijn heup, en hij voelde mij, en we lachten allebei even om die plotselinge, eerlijke opwinding. Toen werd het stil en ernstig. Ik nam hem in mijn hand en streelde hem langzaam, en hij sloot zijn ogen en zei mijn naam op een manier die ik nooit meer zou vergeten. Zijn hand vond mij. We bewogen tegen elkaar, in een ritme dat steeds sneller ging, onze adem door elkaar heen.
Ik schoof naar beneden en nam hem in mijn mond. Hij greep met één hand het laken vast en legde de andere zacht op mijn achterhoofd, zonder te duwen, alleen om me te voelen. Ik nam de tijd. Ik wilde alles van hem leren: welke aanraking hem deed zuchten, welke hem deed kreunen, wanneer zijn heupen uit zichzelf omhoog kwamen.
'Wacht,' fluisterde hij na een tijdje. 'Ik wil je zien.'
Hij trok me omhoog en draaide ons om, zodat hij boven me lag. Hij pakte ons allebei tegelijk vast in zijn grote hand, olie en piano en alles, en bewoog langzaam, met zijn voorhoofd tegen het mijne en zijn ogen open. Ik kon niet wegkijken. Ik wilde niet wegkijken. Het werd heter, sneller, en toen ik voelde dat ik niet lang meer kon, zei ik het, en hij zei: 'Ik ook,' en we kwamen bijna tegelijk, tegen elkaar aan, met een kreun die we in elkaars mond smoorden.
Daarna lagen we verstrengeld op het bed, plakkerig en buiten adem en belachelijk gelukkig. Hij trok het dekbed over ons heen. Buiten blafte ergens een hond, een fietser reed belletjes rinkelend door de straat.
'Hoe lang wist jij het al?' vroeg ik.
Hij dacht even na. 'Sinds de verhuisdoos. Je tilde aan de verkeerde kant en weigerde dat toe te geven.'
'Dat is twee maanden geleden.'
'Ja.' Hij grijnsde. 'Waarom denk je dat ik zo veel moeite deed voor die rotfiets van je?'
Ik lachte en verborg mijn gezicht in zijn schouder. Hij streelde mijn haar. Na een tijdje begon hij zachtjes te neuriën: de melodie van de piano, de melodie die steeds terugkwam en steeds een beetje anders was.
'Heeft het een naam?' vroeg ik. 'Dat stuk?'
'Nog niet,' zei hij. 'Ik wist niet hoe het afliep.'
'En nu?'
Hij gaf geen antwoord, maar kuste me op mijn voorhoofd, en ik voelde hem glimlachen.
's Ochtends werd ik wakker van koffie en piano. Ik liep in zijn badjas de trap af en vond hem op het bankje, in de ochtendzon, spelend met één hand terwijl hij met de andere een kop koffie vasthield. Het stuk klonk anders dan de avond ervoor. Lichter. Het eindigde nu ook, met een akkoord dat niet bleef hangen maar landde, rustig en vanzelfsprekend, als een voet op de grond.
'Het heeft een einde,' zei ik.
'Het heeft een einde,' zei hij. Hij schoof op. Ik ging naast hem zitten, met mijn bovenbeen tegen het zijne. 'Ik noem het "Ketting". Als je dat niet te stom vindt.'
'Ik vind het prachtig,' zei ik.
Mijn fiets staat inmiddels al een jaar in zijn schuur, naast de zijne. De ketting loopt er nooit meer af. Tobias zegt dat dat door zijn onderhoud komt. Ik zeg dat de fiets gewoon zijn werk heeft gedaan.
'Dat ding haat je,' zei hij.
'Het is wederzijds,' zei ik.
Hij heette Tobias. Dat wist ik van het naambordje dat sinds twee weken naast zijn bel hing, en van de verhuisdoos die ik hem had helpen tillen toen zijn broer hem liet zitten. Verder wist ik dat hij een jaar of vijfendertig was, net als ik, dat hij brede schouders had en een baard die hij duidelijk zelf bijhield, en dat hij 's avonds laat nog piano speelde, zacht, met de ramen open. Dat laatste had ik nooit tegen hem gezegd.
'Geef maar,' zei hij, en hij hurkte naast mijn fiets alsof hij nooit anders deed. Binnen een minuut lag de ketting weer op het tandwiel. 'Je derailleur staat scheef. En je ketting is uitgerekt. Als je wilt kijk ik er zaterdag naar. Ik heb gereedschap.'
'Dat hoef je niet te doen.'
'Weet ik.' Hij keek omhoog, met zijn handen op zijn knieën, en lachte. 'Zaterdag. Tien uur. Ik zet koffie.'
Zaterdag om tien uur stond ik met mijn fiets aan de hand in zijn achtertuin. Hij had een schuur vol gereedschap, netjes aan haakjes, en een radio die zachtjes jazz speelde. Hij zette mijn fiets ondersteboven op een oude deken en legde me uit wat hij deed, en ik verstond er de helft van, omdat ik vooral naar zijn handen keek. Grote handen, met olie op de knokkels, die verrassend teder met de kleine onderdelen omgingen.
'Je luistert niet,' zei hij na een tijdje.
'Ik luister wel.'
'Wat is een derailleur dan?'
'Dat ding,' zei ik, en ik wees op willekeurig iets. Hij lachte zo hard dat hij een schroefje liet vallen, en we zochten er samen naar in het gras, op handen en knieën, met onze schouders tegen elkaar.
Na die zaterdag kwamen er meer. Hij nam me mee naar een fietsenwinkel om een nieuwe ketting uit te zoeken. Ik nodigde hem uit voor een biertje als bedankje. Hij kookte een keer, risotto, en ik bleef tot middernacht hangen in zijn keuken terwijl hij vertelde over zijn vorige relatie, acht jaar met een man die uiteindelijk naar Lissabon was vertrokken zonder hem. Ik vertelde over mijn eigen geschiedenis, die korter en rommeliger was. We ontdekten dat we allebei slecht waren in afscheid nemen en goed in koffie zetten.
Ik wist al vrij snel dat ik verliefd aan het worden was. Ik wist alleen niet of hij het ook zag.
Op een avond in oktober zat ik bij mijn open raam en hoorde hem weer spelen. Een langzaam stuk, iets wat ik niet kende, met een melodie die steeds terugkwam en elke keer een beetje anders was. Ik luisterde tot het ophield. Toen pakte ik mijn telefoon en stuurde hem een berichtje.
'Wat was dat?'
Even later: 'Je hebt me gehoord?'
'Ik hoor je al weken.'
Er kwam lang niets. Toen: 'Kom maar luisteren dan. De deur is open.'
Zijn woonkamer was donker op een lamp na, die boven de piano hing en een warme cirkel op de toetsen gooide. Hij zat op het bankje, in een grijs T-shirt en een spijkerbroek, op blote voeten. Hij schoof een stukje op. Ik ging naast hem zitten. Ons bovenbeen raakte elkaar.
'Het is van mezelf,' zei hij zacht. 'Dat stuk. Ik ben er al een tijdje mee bezig.'
'Speel het nog eens.'
Hij speelde het nog eens. Van zo dichtbij hoorde ik dingen die ik door het raam had gemist: hoe hij bij sommige noten even aarzelde, hoe zijn adem meeging met de melodie. Halverwege legde ik mijn hand op zijn rug, tussen zijn schouderbladen, zomaar, zonder erover na te denken. Hij miste een noot. Hij speelde door. Aan het eind bleef het laatste akkoord lang in de kamer hangen.
'Milan,' zei hij, zonder zich om te draaien.
'Ja.'
'Als ik het verkeerd zie, moet je het nu zeggen.'
'Je ziet het niet verkeerd.'
Toen draaide hij zich naar me toe en kuste me. Zijn baard schuurde zacht tegen mijn kin, zijn lippen waren warm en een beetje onzeker, en ik voelde zijn hand naar mijn nek gaan en daar blijven liggen. Ik kuste hem terug, langzaam, en het was alsof alle weken van biertjes en risotto en fietskettingen in één keer op hun plek vielen.
We bleven lang op dat pianobankje zitten. Kussen, ophouden, naar elkaar kijken, weer kussen. Hij lachte zacht tegen mijn mond. Ik trok zijn T-shirt omhoog en liet mijn handen over zijn rug glijden, over de warme huid, de spieren die bewogen onder mijn vingers. Hij ademde diep in en drukte zijn voorhoofd tegen het mijne.
'Boven,' zei hij. 'Het bankje is niet gemaakt voor twee.'
Zijn slaapkamer was eenvoudig: een groot bed, boeken op de vloer, het raam open naar de tuinen. We kleedden elkaar langzaam uit, alsof we bang waren iets te missen. Ik kuste zijn borst, zijn buik, de lijn van haar die onder zijn navel verdween. Hij trok mijn trui over mijn hoofd en bleef even naar me kijken in het halfdonker, met een blik zo open dat ik er bijna verlegen van werd.
'Je bent mooi,' zei hij. Gewoon, alsof het een feit was.
We lieten ons op het bed vallen, huid tegen huid. Ik voelde hoe hard hij was tegen mijn heup, en hij voelde mij, en we lachten allebei even om die plotselinge, eerlijke opwinding. Toen werd het stil en ernstig. Ik nam hem in mijn hand en streelde hem langzaam, en hij sloot zijn ogen en zei mijn naam op een manier die ik nooit meer zou vergeten. Zijn hand vond mij. We bewogen tegen elkaar, in een ritme dat steeds sneller ging, onze adem door elkaar heen.
Ik schoof naar beneden en nam hem in mijn mond. Hij greep met één hand het laken vast en legde de andere zacht op mijn achterhoofd, zonder te duwen, alleen om me te voelen. Ik nam de tijd. Ik wilde alles van hem leren: welke aanraking hem deed zuchten, welke hem deed kreunen, wanneer zijn heupen uit zichzelf omhoog kwamen.
'Wacht,' fluisterde hij na een tijdje. 'Ik wil je zien.'
Hij trok me omhoog en draaide ons om, zodat hij boven me lag. Hij pakte ons allebei tegelijk vast in zijn grote hand, olie en piano en alles, en bewoog langzaam, met zijn voorhoofd tegen het mijne en zijn ogen open. Ik kon niet wegkijken. Ik wilde niet wegkijken. Het werd heter, sneller, en toen ik voelde dat ik niet lang meer kon, zei ik het, en hij zei: 'Ik ook,' en we kwamen bijna tegelijk, tegen elkaar aan, met een kreun die we in elkaars mond smoorden.
Daarna lagen we verstrengeld op het bed, plakkerig en buiten adem en belachelijk gelukkig. Hij trok het dekbed over ons heen. Buiten blafte ergens een hond, een fietser reed belletjes rinkelend door de straat.
'Hoe lang wist jij het al?' vroeg ik.
Hij dacht even na. 'Sinds de verhuisdoos. Je tilde aan de verkeerde kant en weigerde dat toe te geven.'
'Dat is twee maanden geleden.'
'Ja.' Hij grijnsde. 'Waarom denk je dat ik zo veel moeite deed voor die rotfiets van je?'
Ik lachte en verborg mijn gezicht in zijn schouder. Hij streelde mijn haar. Na een tijdje begon hij zachtjes te neuriën: de melodie van de piano, de melodie die steeds terugkwam en steeds een beetje anders was.
'Heeft het een naam?' vroeg ik. 'Dat stuk?'
'Nog niet,' zei hij. 'Ik wist niet hoe het afliep.'
'En nu?'
Hij gaf geen antwoord, maar kuste me op mijn voorhoofd, en ik voelde hem glimlachen.
's Ochtends werd ik wakker van koffie en piano. Ik liep in zijn badjas de trap af en vond hem op het bankje, in de ochtendzon, spelend met één hand terwijl hij met de andere een kop koffie vasthield. Het stuk klonk anders dan de avond ervoor. Lichter. Het eindigde nu ook, met een akkoord dat niet bleef hangen maar landde, rustig en vanzelfsprekend, als een voet op de grond.
'Het heeft een einde,' zei ik.
'Het heeft een einde,' zei hij. Hij schoof op. Ik ging naast hem zitten, met mijn bovenbeen tegen het zijne. 'Ik noem het "Ketting". Als je dat niet te stom vindt.'
'Ik vind het prachtig,' zei ik.
Mijn fiets staat inmiddels al een jaar in zijn schuur, naast de zijne. De ketting loopt er nooit meer af. Tobias zegt dat dat door zijn onderhoud komt. Ik zeg dat de fiets gewoon zijn werk heeft gedaan.
