Twee nachten in Gent
Ik had Ilse elf jaar niet gezien toen ze naast me kwam zitten bij de openingssessie van het congres in Gent. Elf jaar, een huwelijk, twee verhuizingen en een baan die ik eigenlijk nooit had willen hebben. Ze rook nog precies hetzelfde. Dat was het eerste wat ik dacht, en het was ook meteen het eerste waar ik me voor schaamde.
'Bram,' zei ze zacht, terwijl de spreker zijn microfoon testte. 'Je bent grijs geworden bij je slapen.'
'En jij bent helemaal niets veranderd,' zei ik, en dat was gelogen, want ze was mooier geworden. Strakker in haar blik, rustiger in hoe ze bewoog. Ze droeg een donkerblauwe blouse met de bovenste knoop open en een smalle zilveren ketting die in het kuiltje van haar hals lag. Ik keek naar de slides. Ik onthield er niets van.
Ilse en ik hadden ooit een half jaar samen op dezelfde afdeling gewerkt, toen we allebei nog jong genoeg waren om na de vrijdagmiddagborrel te blijven hangen tot de schoonmakers ons wegjoegen. Er was nooit iets gebeurd. Er was één avond geweest, op een fietspad bij de Amstel, waarop ze haar hand op mijn arm had gelegd en ik had gedaan alsof ik het niet merkte. Twee weken later had ik Marloes ontmoet. De rest was geschiedenis, zoals dat heet.
Die eerste dag bleven we bij elkaar in de buurt zonder dat we het afspraken. We stonden naast elkaar bij de koffie, zaten samen bij de lunch, liepen in de pauze een rondje langs de Leie. Ze vertelde over haar scheiding, twee jaar geleden, zonder drama. Ik vertelde over Marloes, en over onze dochter van zeven, en ik merkte dat ik bij elke zin een beetje harder mijn best deed om gelukkig te klinken.
'Je hoeft mij niets te verkopen,' zei ze op een gegeven moment. Ze bleef staan op de brug en keek naar het water. 'Ik ben de laatste die oordeelt.'
'Ik verkoop niets.'
'Nee,' zei ze, en ze glimlachte op die manier die me elf jaar eerder al slapeloze nachten had bezorgd. 'Natuurlijk niet.'
's Avonds was er een diner voor alle deelnemers, in een oud pakhuis met lange tafels en te harde muziek. We zaten tegenover elkaar. Onder de tafel raakte haar knie de mijne, en geen van ons trok terug. Ik praatte met de man naast me over subsidieregelingen en voelde de hele tijd die warme druk tegen mijn been, en toen ze even later haar voet uit haar schoen liet glijden en met haar tenen langs mijn enkel streek, verslikte ik me in mijn wijn.
'Gaat het?' vroeg de man naast me.
'Prima,' zei ik. Ilse keek naar haar bord en beet op haar lip om niet te lachen.
Na het dessert liepen we samen terug naar het hotel. Het had geregend, de keien glommen in het licht van de lantaarns. We praatten niet veel. Bij de lift drukte zij op de knop voor de vierde verdieping en ik op die voor de zesde, en toen de deuren dichtgingen stonden we zo dicht bij elkaar dat ik haar adem kon horen.
'Ik ga je niet vragen om mee te komen,' zei ze, zonder me aan te kijken. 'Dat moet jij zelf weten.'
De lift stopte op vier. De deuren gleden open. Ze stapte de gang in, draaide zich om en keek me aan, één tel, misschien twee. Toen liep ze weg.
Ik heb daar gestaan tot de deuren weer begonnen te sluiten. Toen stak ik mijn hand ertussen.
Haar kamer was klein en warm, met een raam dat uitkeek op een binnenplaats vol fietsen. Ze had de deur op een kier gelaten. Ze stond bij het bureau haar oorbellen uit te doen en draaide zich niet om toen ik binnenkwam.
'Doe de deur maar dicht,' zei ze.
Ik deed hem dicht. Ik bleef staan. Ze legde de oorbellen in een glazen schaaltje, liep naar me toe en legde haar hand plat op mijn borst, precies op de plek waar mijn hart tekeerging.
'Je mag nog steeds weggaan,' zei ze.
'Ik weet het.'
'Wil je dat?'
'Nee.'
Toen kuste ze me. Niet voorzichtig, niet aftastend, maar alsof ze elf jaar had gewacht en geen seconde meer wilde verspillen. Ik pakte haar gezicht in mijn handen en kuste haar terug, en alles wat ik de hele dag had ingehouden kwam in één keer los. Ze trok mijn overhemd uit mijn broek, ik vond de knoopjes van haar blouse, mijn vingers trilden zo dat ze me lachend hielp.
Haar huid was zacht en warm. Ze droeg een eenvoudige zwarte bh die ze zelf losmaakte, en toen ik mijn handen om haar borsten legde en met mijn duimen over haar tepels streek, ademde ze scherp in en drukte zich tegen me aan. Ik kuste haar hals, haar sleutelbeen, de plek waar de ketting had gelegen. Ze maakte mijn riem los met een handigheid die me even jaloers maakte op iedereen die ze ooit had uitgekleed.
We vielen meer dan dat we gingen liggen op het bed. Ze trok me boven op zich, sloeg haar benen om mijn heupen en wreef zich door haar rok heen tegen me aan tot ik dacht dat ik gek werd. Ik schoof de rok omhoog en haar slipje opzij en voelde hoe nat ze was, en ze kreunde zo laag en zo eerlijk dat ik even stil moest liggen om mezelf in de hand te houden.
'Niet stoppen,' fluisterde ze. 'Alsjeblieft niet stoppen.'
Ik stopte niet. Ik liet mijn vingers langzaam over haar heen glijden, rondjes, dan dieper, en zag hoe haar gezicht veranderde, hoe haar mond openviel en haar ogen dichtgingen. Ze greep het laken vast. Toen ik twee vingers in haar liet glijden en tegelijk met mijn duim bleef cirkelen, kwam ze bijna meteen, met haar heupen omhoog en een geluid dat ze in mijn schouder smoorde.
Ze lag daarna even te hijgen, haar hand in mijn haar. Toen opende ze haar ogen en keek me aan met een blik die ik nog nooit van iemand had gekregen, niet van Marloes, niet van wie dan ook.
'Kom hier,' zei ze.
Ze rolde me op mijn rug en ging schrijlings op me zitten. Ze nam me in haar hand, langzaam, aftastend, en liet zich toen op me zakken, centimeter voor centimeter, met haar handen op mijn borst en haar ogen op de mijne. Ik dacht dat ik het niet zou overleven. Ze bewoog in een traag, rollend ritme, haar haar viel om haar gezicht, de lamp naast het bed gooide haar schaduw groot tegen de muur.
'Zo heb ik me het voorgesteld,' zei ze ademloos. 'Toen. Op dat fietspad.'
'Ik ook,' zei ik, en dat was de eerste keer dat ik het hardop toegaf, ook tegen mezelf.
Ze versnelde. Ik pakte haar heupen vast en duwde omhoog, tegen haar in, en we vonden een ritme dat zo vanzelf ging dat het voelde alsof we het al jaren deden. Ze kwam een tweede keer, met haar handen naast mijn hoofd in het kussen gedrukt, en het gevoel van haar die om me heen samentrok was genoeg om mij ook over de rand te duwen. Ik trok haar tegen me aan en hield haar vast terwijl het door me heen golfde, mijn gezicht in haar hals, mijn adem in haar haar.
Daarna lagen we lang stil. Op de binnenplaats sloeg iemand een fietsslot dicht. Ergens in het hotel liep een kraan.
'En nu?' vroeg ik uiteindelijk.
Ilse draaide zich op haar zij en keek me aan. Ze streek met een vinger over mijn wenkbrauw, over de grijze haren bij mijn slaap.
'Nu niets,' zei ze. 'Morgen is er nog een dag congres. Overmorgen ga jij naar huis.'
'En dan?'
'Dan moet jij uitzoeken wat je wilt. Niet voor mij. Voor jezelf.' Ze zweeg even. 'Ik ga je niet bellen, Bram. Ik ga je niet achtervolgen. Als je iets wilt, weet je me te vinden.'
Ik bleef die nacht bij haar. We vrijden nog een keer, tegen de ochtend, langzaam en half in slaap, haar rug tegen mijn borst, mijn hand tussen haar benen tot ze zacht mijn naam zei. Daarna sliep ik zoals ik in jaren niet had geslapen.
De tweede dag van het congres was vreemd. We zaten niet naast elkaar. We knikten naar elkaar bij de koffie, we lachten om dezelfde slechte grap van de dagvoorzitter, en elke keer dat ze langs me liep voelde ik de nacht nog op mijn huid. 's Avonds at ik alleen, in een klein restaurant bij de Graslei, en belde Marloes. Onze dochter had een tand verloren. Marloes klonk moe en lief en ver weg. Ik zei dat ik haar miste, en het was niet helemaal gelogen, en ook niet helemaal waar.
Die nacht klopte ik niet op Ilses deur. Ik lag op de zesde verdieping naar het plafond te kijken en dacht aan alles wat ik had opgebouwd en aan hoe weinig ervan ik zelf had gekozen.
De volgende ochtend stond ze bij de receptie met haar koffer. Ik liep naar haar toe.
'Goede reis,' zei ik.
'Jij ook.' Ze keek me aan, rustig, zonder verwijt. 'Het was mooi, Bram. Wat er ook van komt. Het was mooi.'
'Dat was het.'
Ze gaf me een kus op mijn wang, vlak bij mijn mond, en liep naar buiten, de regen in, naar een taxi die al stond te wachten.
In de trein naar huis heb ik twee uur uit het raam gekeken. Ik heb haar niet gebeld, die week niet en de week daarna ook niet. Maar ik ben wel met Marloes gaan praten, op een avond toen onze dochter sliep, aan de keukentafel, met de lamp laag. Niet over Gent. Over ons. Over wat we eigenlijk nog van elkaar wilden. Het werd een lang gesprek, en daarna nog veel meer gesprekken.
Hoe het afloopt weet ik nog niet. Maar ik weet wel dat ik op die gang op de vierde verdieping, met mijn hand tussen de liftdeuren, voor het eerst in lange tijd zelf iets heb gekozen. En dat ik nooit meer wil doen alsof ik niet merk dat iemand haar hand op mijn arm legt.
'Bram,' zei ze zacht, terwijl de spreker zijn microfoon testte. 'Je bent grijs geworden bij je slapen.'
'En jij bent helemaal niets veranderd,' zei ik, en dat was gelogen, want ze was mooier geworden. Strakker in haar blik, rustiger in hoe ze bewoog. Ze droeg een donkerblauwe blouse met de bovenste knoop open en een smalle zilveren ketting die in het kuiltje van haar hals lag. Ik keek naar de slides. Ik onthield er niets van.
Ilse en ik hadden ooit een half jaar samen op dezelfde afdeling gewerkt, toen we allebei nog jong genoeg waren om na de vrijdagmiddagborrel te blijven hangen tot de schoonmakers ons wegjoegen. Er was nooit iets gebeurd. Er was één avond geweest, op een fietspad bij de Amstel, waarop ze haar hand op mijn arm had gelegd en ik had gedaan alsof ik het niet merkte. Twee weken later had ik Marloes ontmoet. De rest was geschiedenis, zoals dat heet.
Die eerste dag bleven we bij elkaar in de buurt zonder dat we het afspraken. We stonden naast elkaar bij de koffie, zaten samen bij de lunch, liepen in de pauze een rondje langs de Leie. Ze vertelde over haar scheiding, twee jaar geleden, zonder drama. Ik vertelde over Marloes, en over onze dochter van zeven, en ik merkte dat ik bij elke zin een beetje harder mijn best deed om gelukkig te klinken.
'Je hoeft mij niets te verkopen,' zei ze op een gegeven moment. Ze bleef staan op de brug en keek naar het water. 'Ik ben de laatste die oordeelt.'
'Ik verkoop niets.'
'Nee,' zei ze, en ze glimlachte op die manier die me elf jaar eerder al slapeloze nachten had bezorgd. 'Natuurlijk niet.'
's Avonds was er een diner voor alle deelnemers, in een oud pakhuis met lange tafels en te harde muziek. We zaten tegenover elkaar. Onder de tafel raakte haar knie de mijne, en geen van ons trok terug. Ik praatte met de man naast me over subsidieregelingen en voelde de hele tijd die warme druk tegen mijn been, en toen ze even later haar voet uit haar schoen liet glijden en met haar tenen langs mijn enkel streek, verslikte ik me in mijn wijn.
'Gaat het?' vroeg de man naast me.
'Prima,' zei ik. Ilse keek naar haar bord en beet op haar lip om niet te lachen.
Na het dessert liepen we samen terug naar het hotel. Het had geregend, de keien glommen in het licht van de lantaarns. We praatten niet veel. Bij de lift drukte zij op de knop voor de vierde verdieping en ik op die voor de zesde, en toen de deuren dichtgingen stonden we zo dicht bij elkaar dat ik haar adem kon horen.
'Ik ga je niet vragen om mee te komen,' zei ze, zonder me aan te kijken. 'Dat moet jij zelf weten.'
De lift stopte op vier. De deuren gleden open. Ze stapte de gang in, draaide zich om en keek me aan, één tel, misschien twee. Toen liep ze weg.
Ik heb daar gestaan tot de deuren weer begonnen te sluiten. Toen stak ik mijn hand ertussen.
Haar kamer was klein en warm, met een raam dat uitkeek op een binnenplaats vol fietsen. Ze had de deur op een kier gelaten. Ze stond bij het bureau haar oorbellen uit te doen en draaide zich niet om toen ik binnenkwam.
'Doe de deur maar dicht,' zei ze.
Ik deed hem dicht. Ik bleef staan. Ze legde de oorbellen in een glazen schaaltje, liep naar me toe en legde haar hand plat op mijn borst, precies op de plek waar mijn hart tekeerging.
'Je mag nog steeds weggaan,' zei ze.
'Ik weet het.'
'Wil je dat?'
'Nee.'
Toen kuste ze me. Niet voorzichtig, niet aftastend, maar alsof ze elf jaar had gewacht en geen seconde meer wilde verspillen. Ik pakte haar gezicht in mijn handen en kuste haar terug, en alles wat ik de hele dag had ingehouden kwam in één keer los. Ze trok mijn overhemd uit mijn broek, ik vond de knoopjes van haar blouse, mijn vingers trilden zo dat ze me lachend hielp.
Haar huid was zacht en warm. Ze droeg een eenvoudige zwarte bh die ze zelf losmaakte, en toen ik mijn handen om haar borsten legde en met mijn duimen over haar tepels streek, ademde ze scherp in en drukte zich tegen me aan. Ik kuste haar hals, haar sleutelbeen, de plek waar de ketting had gelegen. Ze maakte mijn riem los met een handigheid die me even jaloers maakte op iedereen die ze ooit had uitgekleed.
We vielen meer dan dat we gingen liggen op het bed. Ze trok me boven op zich, sloeg haar benen om mijn heupen en wreef zich door haar rok heen tegen me aan tot ik dacht dat ik gek werd. Ik schoof de rok omhoog en haar slipje opzij en voelde hoe nat ze was, en ze kreunde zo laag en zo eerlijk dat ik even stil moest liggen om mezelf in de hand te houden.
'Niet stoppen,' fluisterde ze. 'Alsjeblieft niet stoppen.'
Ik stopte niet. Ik liet mijn vingers langzaam over haar heen glijden, rondjes, dan dieper, en zag hoe haar gezicht veranderde, hoe haar mond openviel en haar ogen dichtgingen. Ze greep het laken vast. Toen ik twee vingers in haar liet glijden en tegelijk met mijn duim bleef cirkelen, kwam ze bijna meteen, met haar heupen omhoog en een geluid dat ze in mijn schouder smoorde.
Ze lag daarna even te hijgen, haar hand in mijn haar. Toen opende ze haar ogen en keek me aan met een blik die ik nog nooit van iemand had gekregen, niet van Marloes, niet van wie dan ook.
'Kom hier,' zei ze.
Ze rolde me op mijn rug en ging schrijlings op me zitten. Ze nam me in haar hand, langzaam, aftastend, en liet zich toen op me zakken, centimeter voor centimeter, met haar handen op mijn borst en haar ogen op de mijne. Ik dacht dat ik het niet zou overleven. Ze bewoog in een traag, rollend ritme, haar haar viel om haar gezicht, de lamp naast het bed gooide haar schaduw groot tegen de muur.
'Zo heb ik me het voorgesteld,' zei ze ademloos. 'Toen. Op dat fietspad.'
'Ik ook,' zei ik, en dat was de eerste keer dat ik het hardop toegaf, ook tegen mezelf.
Ze versnelde. Ik pakte haar heupen vast en duwde omhoog, tegen haar in, en we vonden een ritme dat zo vanzelf ging dat het voelde alsof we het al jaren deden. Ze kwam een tweede keer, met haar handen naast mijn hoofd in het kussen gedrukt, en het gevoel van haar die om me heen samentrok was genoeg om mij ook over de rand te duwen. Ik trok haar tegen me aan en hield haar vast terwijl het door me heen golfde, mijn gezicht in haar hals, mijn adem in haar haar.
Daarna lagen we lang stil. Op de binnenplaats sloeg iemand een fietsslot dicht. Ergens in het hotel liep een kraan.
'En nu?' vroeg ik uiteindelijk.
Ilse draaide zich op haar zij en keek me aan. Ze streek met een vinger over mijn wenkbrauw, over de grijze haren bij mijn slaap.
'Nu niets,' zei ze. 'Morgen is er nog een dag congres. Overmorgen ga jij naar huis.'
'En dan?'
'Dan moet jij uitzoeken wat je wilt. Niet voor mij. Voor jezelf.' Ze zweeg even. 'Ik ga je niet bellen, Bram. Ik ga je niet achtervolgen. Als je iets wilt, weet je me te vinden.'
Ik bleef die nacht bij haar. We vrijden nog een keer, tegen de ochtend, langzaam en half in slaap, haar rug tegen mijn borst, mijn hand tussen haar benen tot ze zacht mijn naam zei. Daarna sliep ik zoals ik in jaren niet had geslapen.
De tweede dag van het congres was vreemd. We zaten niet naast elkaar. We knikten naar elkaar bij de koffie, we lachten om dezelfde slechte grap van de dagvoorzitter, en elke keer dat ze langs me liep voelde ik de nacht nog op mijn huid. 's Avonds at ik alleen, in een klein restaurant bij de Graslei, en belde Marloes. Onze dochter had een tand verloren. Marloes klonk moe en lief en ver weg. Ik zei dat ik haar miste, en het was niet helemaal gelogen, en ook niet helemaal waar.
Die nacht klopte ik niet op Ilses deur. Ik lag op de zesde verdieping naar het plafond te kijken en dacht aan alles wat ik had opgebouwd en aan hoe weinig ervan ik zelf had gekozen.
De volgende ochtend stond ze bij de receptie met haar koffer. Ik liep naar haar toe.
'Goede reis,' zei ik.
'Jij ook.' Ze keek me aan, rustig, zonder verwijt. 'Het was mooi, Bram. Wat er ook van komt. Het was mooi.'
'Dat was het.'
Ze gaf me een kus op mijn wang, vlak bij mijn mond, en liep naar buiten, de regen in, naar een taxi die al stond te wachten.
In de trein naar huis heb ik twee uur uit het raam gekeken. Ik heb haar niet gebeld, die week niet en de week daarna ook niet. Maar ik ben wel met Marloes gaan praten, op een avond toen onze dochter sliep, aan de keukentafel, met de lamp laag. Niet over Gent. Over ons. Over wat we eigenlijk nog van elkaar wilden. Het werd een lang gesprek, en daarna nog veel meer gesprekken.
Hoe het afloopt weet ik nog niet. Maar ik weet wel dat ik op die gang op de vierde verdieping, met mijn hand tussen de liftdeuren, voor het eerst in lange tijd zelf iets heb gekozen. En dat ik nooit meer wil doen alsof ik niet merk dat iemand haar hand op mijn arm legt.
