Het water van de Ourthe
Ilse had de route uitgezocht. Dat deed ze altijd: kaarten op de keukentafel, een markeerstift, een lijstje met wat we mee moesten nemen. Ik ben Yara, ik ben degene die meegaat en onderweg vergeet waar we zijn. Zo werkten we al vijf jaar, sinds we elkaar leerden kennen bij een klimclub in Nijmegen. Beste vriendinnen, zeiden we tegen iedereen. Wandelmaatjes. Iemand bij wie je je kunt omkleden zonder na te denken.
Behalve dat ik er de laatste tijd wel over nadacht.
Het begon die zomer in de Ardennen. Drie dagen langs de Ourthe, slapen in een tentje, ’s ochtends koffie op een brandertje. Op de tweede dag was het zo warm dat de hellingen trilden in de lucht, en rond het middaguur kwamen we bij een bocht in de rivier waar het water stil en diep was, achter een rij wilgen. Geen pad, geen mensen. Alleen een platte steen die half in het water lag en een ijsvogel die als een blauwe vonk voorbijschoot.
“Hier,” zei Ilse, en ze liet haar rugzak van haar schouders glijden. “Ik ga zwemmen.”
Ze trok haar shirt uit en haar sportbeha, haar korte broek en alles eronder, en liep zonder om te kijken het water in. Ik had haar honderd keer naakt gezien in kleedkamers en tenten. Maar ik had haar nooit zo gezien: met de zon op haar rug, haar sterke benen, haar donkere vlecht die tussen haar schouderbladen hing, terwijl ze tot haar middel in het water stond en kreunde omdat het zo koud was.
“Kom je nou?” riep ze.
Ik kleedde me uit. Mijn handen waren onhandig. Toen ik het water in liep, was het inderdaad ijskoud, zo koud dat ik gilde, en Ilse lachte en spetterde me nat. We zwommen naar het midden, waar we net niet konden staan, en lieten ons drijven op onze rug met onze gezichten naar de lucht. Haar hand raakte de mijne. Ze trok hem niet terug.
Na een tijdje klommen we op de platte steen. Die was warm van de zon, bijna heet, en we lagen naast elkaar te drogen. Ik voelde haar arm tegen de mijne. Ik durfde niet te bewegen.
“Yara,” zei ze, zonder haar ogen open te doen. “Mag ik je iets vragen?”
“Altijd.”
“Waarom kijk je de laatste tijd zo naar me?”
Mijn hart sloeg over. Ik wilde liegen. Ik wilde zeggen dat ik niet wist wat ze bedoelde. Maar de zon was te warm en het water te helder, en er was niemand behalve een ijsvogel. “Omdat ik verliefd op je ben, denk ik,” zei ik. “Sorry.”
Het bleef stil. Ik hoorde de rivier, de wilgen, mijn eigen bloed in mijn oren. Toen draaide Ilse zich op haar zij en keek me aan. Er zaten druppels op haar wimpers.
“Waarom sorry?”
“Omdat het alles ingewikkeld maakt.”
Ze glimlachte. Langzaam, een beetje scheef, de glimlach die ze opzette als ze een route had gevonden die korter was dan op de kaart stond. “Ik heb die markeerstift drie keer over deze bocht gehaald,” zei ze. “Wat denk je dat ik hier kwam doen?”
Ik staarde haar aan. Toen boog ze naar me toe en kuste me.
Haar lippen waren koel van het water en smaakten naar rivier. Ik kuste haar terug, eerst voorzichtig, alsof ze zou verdwijnen, en toen niet meer voorzichtig. Haar hand lag op mijn heup, haar duim maakte kleine cirkels op mijn huid. Ik legde mijn hand in haar natte vlecht en trok haar dichterbij, tot haar borsten tegen de mijne lagen en ik haar hart voelde bonzen, net zo snel als het mijne.
“Hoe lang al?” fluisterde ik tegen haar mond.
“Sinds die keer dat je van de klimwand viel en lachend in de mat bleef liggen,” zei ze. “Twee jaar ongeveer.”
“Twee jaar!”
“Ik wachtte op jou. Jij bent degene die altijd vergeet waar we zijn.”
Ik lachte, en zij lachte, en toen kuste ze mijn hals en lachte ik niet meer. Ze nam de tijd. Ze kuste mijn sleutelbeen, het kuiltje ertussen, en daalde af naar mijn borsten. Haar tong was warm, haar adem koel op mijn natte huid, en toen ze mijn tepel in haar mond nam, kreunde ik zo hard dat de ijsvogel er nogmaals vandoor ging.
“Is dit goed?” vroeg ze, en ze keek naar me op.
“Ga alsjeblieft niet stoppen.”
Ze stopte niet. Haar hand gleed over mijn buik, over mijn heup, naar de binnenkant van mijn dij. Ik opende mijn benen voor haar, daar op die warme steen onder de open hemel, en het voelde wilder en vrijer dan alles wat ik ooit binnen vier muren had gedaan. Haar vingers vonden me, nat en niet van de rivier. Ze streelde me langzaam, verkennend, alsof ze mijn lichaam ook in kaart bracht.
“Laat me zien hoe je het fijn vindt,” zei ze zacht.
Ik legde mijn hand op de hare en liet haar zien: iets hoger, iets lichter, kleine rondjes. Ze leerde snel. Natuurlijk leerde ze snel. Binnen een minuut lag ik te trillen en hield ik me vast aan haar schouder, en toen ze een vinger in me schoof en met haar duim bleef cirkelen, kon ik niet meer denken.
Maar ik wilde niet alleen ontvangen. Ik duwde haar zachtjes op haar rug en ging over haar heen zitten, mijn knieën aan weerszijden van haar heupen. Ze keek naar me op met haar haar uitgespreid over de steen, haar wangen rood, haar borst op en neer gaand. Ik kuste haar, eerst haar mond, dan haar hals, haar borsten, haar buik die gespannen was van alle kilometers. Ik ging lager. Ze hield haar adem in.
“Yara…”
“Mag ik?”
“Ja. God, ja.”
Ik had dit nog nooit gedaan, niet bij een vrouw. Maar het voelde niet vreemd. Het voelde als iets wat ik al die tijd had willen doen. Ik kuste de binnenkant van haar dijen, ademde haar geur in, warm en zout, en likte haar toen langzaam. Ze kreunde, haar hand vond mijn haar. Ik deed wat ik zelf fijn vond, en luisterde naar elk geluid dat ze maakte, elke beweging van haar heupen, tot ik doorhad dat ze het meest reageerde als ik mijn tong plat maakte en langzaam bleef gaan. Haar dijen begonnen te trillen tegen mijn wangen.
“Niet ophouden,” hijgde ze. “Precies zo. Yara, precies zo.”
Ik hield niet op. Ik schoof twee vingers in haar terwijl ik bleef likken, en voelde hoe ze zich om me heen samentrok, en toen kwam ze, met een rauwe kreet die over het water rolde en door de wilgen werd opgevangen. Ze bleef schokken onder me, haar hand in mijn haar, en ik bleef zacht doorgaan tot ze me lachend en hijgend naar boven trok.
“Jij,” zei ze, en kuste me, proefde zichzelf. “Jij hebt dit vaker gedaan.”
“Nooit.”
“Dan ben je een natuurtalent.”
Ze draaide me om, zodat ik weer op mijn rug lag, en schoof een been tussen de mijne. Haar dij drukte tegen me aan, en de mijne tegen haar, en we bewogen samen, nat en glad en warm, onze borsten tegen elkaar, onze monden open. Het was ongecontroleerd en een beetje onhandig en volkomen perfect. Ik voelde de hitte van de steen onder mijn rug en de zon op mijn gezicht en Ilse overal. Haar hand gleed tussen ons in en vond me weer, en ik kwam zo hard dat ik even niks meer zag dan wit licht.
Daarna lagen we in elkaars armen tot de schaduw van de wilgen over de steen kroop. We praatten zacht. Over twee jaar wachten. Over hoe bang ik was geweest dat ik onze vriendschap zou verpesten. Over hoe Ilse elke keer had gedacht dat ik het niet zag en ik elke keer had gedacht dat zij het niet voelde.
“Wat doen we nu?” vroeg ik.
“Nu,” zei Ilse, “gaan we nog een keer zwemmen. Want ik ben plakkerig.”
We zwommen. Deze keer hield ze mijn hand vast toen we op onze rug dreven. Daarna kleedden we ons aan, langzaam, met veel kussen tussendoor, en liepen we verder langs de rivier. Ik had geen idee waar we waren. Het kon me niets schelen.
Die avond, in het tentje, ritsten we onze slaapzakken aan elkaar. Dat hadden we nog nooit gedaan. Ilse lag tegen me aan, haar knieën in mijn knieholtes, haar adem in mijn nek.
“Volgend jaar,” mompelde ze, half in slaap, “zoek ik een route met meer rivieren.”
“Waarom?”
“Omdat ik weet wat jij doet bij rivieren.”
Ik lachte in het donker en trok haar arm steviger om me heen. Buiten ruiste de Ourthe. Ergens in de wilgen sliep een ijsvogel.
Thuis hangt de kaart van die tocht nu aan de muur van onze slaapkamer. Ze heeft er een klein rood hartje bij gezet, precies in die bocht. Als mensen vragen wat het betekent, zegt Ilse dat het een goede zwemplek is.
Dat is niet gelogen.
Behalve dat ik er de laatste tijd wel over nadacht.
Het begon die zomer in de Ardennen. Drie dagen langs de Ourthe, slapen in een tentje, ’s ochtends koffie op een brandertje. Op de tweede dag was het zo warm dat de hellingen trilden in de lucht, en rond het middaguur kwamen we bij een bocht in de rivier waar het water stil en diep was, achter een rij wilgen. Geen pad, geen mensen. Alleen een platte steen die half in het water lag en een ijsvogel die als een blauwe vonk voorbijschoot.
“Hier,” zei Ilse, en ze liet haar rugzak van haar schouders glijden. “Ik ga zwemmen.”
Ze trok haar shirt uit en haar sportbeha, haar korte broek en alles eronder, en liep zonder om te kijken het water in. Ik had haar honderd keer naakt gezien in kleedkamers en tenten. Maar ik had haar nooit zo gezien: met de zon op haar rug, haar sterke benen, haar donkere vlecht die tussen haar schouderbladen hing, terwijl ze tot haar middel in het water stond en kreunde omdat het zo koud was.
“Kom je nou?” riep ze.
Ik kleedde me uit. Mijn handen waren onhandig. Toen ik het water in liep, was het inderdaad ijskoud, zo koud dat ik gilde, en Ilse lachte en spetterde me nat. We zwommen naar het midden, waar we net niet konden staan, en lieten ons drijven op onze rug met onze gezichten naar de lucht. Haar hand raakte de mijne. Ze trok hem niet terug.
Na een tijdje klommen we op de platte steen. Die was warm van de zon, bijna heet, en we lagen naast elkaar te drogen. Ik voelde haar arm tegen de mijne. Ik durfde niet te bewegen.
“Yara,” zei ze, zonder haar ogen open te doen. “Mag ik je iets vragen?”
“Altijd.”
“Waarom kijk je de laatste tijd zo naar me?”
Mijn hart sloeg over. Ik wilde liegen. Ik wilde zeggen dat ik niet wist wat ze bedoelde. Maar de zon was te warm en het water te helder, en er was niemand behalve een ijsvogel. “Omdat ik verliefd op je ben, denk ik,” zei ik. “Sorry.”
Het bleef stil. Ik hoorde de rivier, de wilgen, mijn eigen bloed in mijn oren. Toen draaide Ilse zich op haar zij en keek me aan. Er zaten druppels op haar wimpers.
“Waarom sorry?”
“Omdat het alles ingewikkeld maakt.”
Ze glimlachte. Langzaam, een beetje scheef, de glimlach die ze opzette als ze een route had gevonden die korter was dan op de kaart stond. “Ik heb die markeerstift drie keer over deze bocht gehaald,” zei ze. “Wat denk je dat ik hier kwam doen?”
Ik staarde haar aan. Toen boog ze naar me toe en kuste me.
Haar lippen waren koel van het water en smaakten naar rivier. Ik kuste haar terug, eerst voorzichtig, alsof ze zou verdwijnen, en toen niet meer voorzichtig. Haar hand lag op mijn heup, haar duim maakte kleine cirkels op mijn huid. Ik legde mijn hand in haar natte vlecht en trok haar dichterbij, tot haar borsten tegen de mijne lagen en ik haar hart voelde bonzen, net zo snel als het mijne.
“Hoe lang al?” fluisterde ik tegen haar mond.
“Sinds die keer dat je van de klimwand viel en lachend in de mat bleef liggen,” zei ze. “Twee jaar ongeveer.”
“Twee jaar!”
“Ik wachtte op jou. Jij bent degene die altijd vergeet waar we zijn.”
Ik lachte, en zij lachte, en toen kuste ze mijn hals en lachte ik niet meer. Ze nam de tijd. Ze kuste mijn sleutelbeen, het kuiltje ertussen, en daalde af naar mijn borsten. Haar tong was warm, haar adem koel op mijn natte huid, en toen ze mijn tepel in haar mond nam, kreunde ik zo hard dat de ijsvogel er nogmaals vandoor ging.
“Is dit goed?” vroeg ze, en ze keek naar me op.
“Ga alsjeblieft niet stoppen.”
Ze stopte niet. Haar hand gleed over mijn buik, over mijn heup, naar de binnenkant van mijn dij. Ik opende mijn benen voor haar, daar op die warme steen onder de open hemel, en het voelde wilder en vrijer dan alles wat ik ooit binnen vier muren had gedaan. Haar vingers vonden me, nat en niet van de rivier. Ze streelde me langzaam, verkennend, alsof ze mijn lichaam ook in kaart bracht.
“Laat me zien hoe je het fijn vindt,” zei ze zacht.
Ik legde mijn hand op de hare en liet haar zien: iets hoger, iets lichter, kleine rondjes. Ze leerde snel. Natuurlijk leerde ze snel. Binnen een minuut lag ik te trillen en hield ik me vast aan haar schouder, en toen ze een vinger in me schoof en met haar duim bleef cirkelen, kon ik niet meer denken.
Maar ik wilde niet alleen ontvangen. Ik duwde haar zachtjes op haar rug en ging over haar heen zitten, mijn knieën aan weerszijden van haar heupen. Ze keek naar me op met haar haar uitgespreid over de steen, haar wangen rood, haar borst op en neer gaand. Ik kuste haar, eerst haar mond, dan haar hals, haar borsten, haar buik die gespannen was van alle kilometers. Ik ging lager. Ze hield haar adem in.
“Yara…”
“Mag ik?”
“Ja. God, ja.”
Ik had dit nog nooit gedaan, niet bij een vrouw. Maar het voelde niet vreemd. Het voelde als iets wat ik al die tijd had willen doen. Ik kuste de binnenkant van haar dijen, ademde haar geur in, warm en zout, en likte haar toen langzaam. Ze kreunde, haar hand vond mijn haar. Ik deed wat ik zelf fijn vond, en luisterde naar elk geluid dat ze maakte, elke beweging van haar heupen, tot ik doorhad dat ze het meest reageerde als ik mijn tong plat maakte en langzaam bleef gaan. Haar dijen begonnen te trillen tegen mijn wangen.
“Niet ophouden,” hijgde ze. “Precies zo. Yara, precies zo.”
Ik hield niet op. Ik schoof twee vingers in haar terwijl ik bleef likken, en voelde hoe ze zich om me heen samentrok, en toen kwam ze, met een rauwe kreet die over het water rolde en door de wilgen werd opgevangen. Ze bleef schokken onder me, haar hand in mijn haar, en ik bleef zacht doorgaan tot ze me lachend en hijgend naar boven trok.
“Jij,” zei ze, en kuste me, proefde zichzelf. “Jij hebt dit vaker gedaan.”
“Nooit.”
“Dan ben je een natuurtalent.”
Ze draaide me om, zodat ik weer op mijn rug lag, en schoof een been tussen de mijne. Haar dij drukte tegen me aan, en de mijne tegen haar, en we bewogen samen, nat en glad en warm, onze borsten tegen elkaar, onze monden open. Het was ongecontroleerd en een beetje onhandig en volkomen perfect. Ik voelde de hitte van de steen onder mijn rug en de zon op mijn gezicht en Ilse overal. Haar hand gleed tussen ons in en vond me weer, en ik kwam zo hard dat ik even niks meer zag dan wit licht.
Daarna lagen we in elkaars armen tot de schaduw van de wilgen over de steen kroop. We praatten zacht. Over twee jaar wachten. Over hoe bang ik was geweest dat ik onze vriendschap zou verpesten. Over hoe Ilse elke keer had gedacht dat ik het niet zag en ik elke keer had gedacht dat zij het niet voelde.
“Wat doen we nu?” vroeg ik.
“Nu,” zei Ilse, “gaan we nog een keer zwemmen. Want ik ben plakkerig.”
We zwommen. Deze keer hield ze mijn hand vast toen we op onze rug dreven. Daarna kleedden we ons aan, langzaam, met veel kussen tussendoor, en liepen we verder langs de rivier. Ik had geen idee waar we waren. Het kon me niets schelen.
Die avond, in het tentje, ritsten we onze slaapzakken aan elkaar. Dat hadden we nog nooit gedaan. Ilse lag tegen me aan, haar knieën in mijn knieholtes, haar adem in mijn nek.
“Volgend jaar,” mompelde ze, half in slaap, “zoek ik een route met meer rivieren.”
“Waarom?”
“Omdat ik weet wat jij doet bij rivieren.”
Ik lachte in het donker en trok haar arm steviger om me heen. Buiten ruiste de Ourthe. Ergens in de wilgen sliep een ijsvogel.
Thuis hangt de kaart van die tocht nu aan de muur van onze slaapkamer. Ze heeft er een klein rood hartje bij gezet, precies in die bocht. Als mensen vragen wat het betekent, zegt Ilse dat het een goede zwemplek is.
Dat is niet gelogen.
