De trein schommelde precies goed
Ik heet Lieke en ik was achtenwintig toen ik de nachttrein naar het zuiden nam met een koffer die te zwaar was en een hart dat te licht leek voor wat ik achterliet. Mijn relatie was drie weken eerder stil gevallen — niet met ruzie, met zwijgen — en mijn zus in Lyon had gezegd: kom. Dus ik kwam. Couchette, compartiment, raamzijde. Vertrek Utrecht, diep in de nacht, met een thermos thee die ik vergeten was en een boek dat ik niet zou openen.
Het compartiment was halfvol toen ik binnenkwam. Een ouder echtpaar dat meteen in slaapzakken verdween, hand in hand alsof dat vanzelfsprekend was. Een student met oortjes en een capuchon. En tegenover mij, bij het raam: een man van begin dertig, donker haar, een boek in het Frans dat hij niet leek te lezen. Hij keek op toen ik mijn koffer omhoog tilde. "Mag ik?" vroeg hij, en hielp zonder te wachten op een antwoord. Zijn handen waren zeker. Zijn stem Nederlands, met iets zachts, alsof hij gewend was zacht te praten in kleine ruimtes.
"Thomas," zei hij later, toen de conducteur voorbij was en het licht gedimd tot een oranje gloed.
"Lieke."
We praatten zacht, omdat de anderen sliepen. Over Lyon — hij ging voor werk, iets met restauratie van oude gevels, steen en kalk en geduld — en over waarom ik wegging zonder dat ik het hele verhaal gaf. Hij vroeg niet door. Dat vond ik fijn. Mensen die te snel troosten, maken het zwaarder. Hij luisterde alleen, knikte, en schonk thee uit zijn thermos in het deksel zodat we konden delen. Buiten gleed het landschap voorbij in strepen: stations, weilanden, af en toe een dorp met één lamp. De trein schommelde. Ik voelde mijn schouders zakken alsof iemand eindelijk de knoop losser deed.
Rond twee uur ging het echtpaar naar een ander rijtuig omdat hun airco rammelde. Ze namen hun slaapzakken mee en wensten ons een goede nacht, alsof ze wisten dat de nacht nog iets voor ons in petto had. De student bleef, maar zat met een capuchon over zijn gezicht en snurkte zacht, vast in zijn eigen wereld. Thomas en ik zaten tegenover elkaar. Onze knieën raakten soms bij een bocht. De eerste keer trok ik terug. De tweede keer niet. De derde keer liet ik mijn knie bewust liggen.
"Je mag dichterbij komen als je het koud hebt," zei hij half lachend. Het was niet koud. Ik kwam toch dichterbij. We deelden thee. Zijn vingers raakten de mijne om de beker. Even. Toen langer. Ik rook zeep en iets van hout — past bij gevels, dacht ik — en zag een klein littekentje bij zijn wenkbrauw waar ik naar wilde vragen en het toen niet deed.
Ik weet nog precies hoe de kus begon: niet met een besluit, met een stilte die te lang duurde. Hij leunde voorover. Ik ontmoette hem halverwege. Zijn mond was warm van de thee. De trein raakte een wissel; we lachten zacht tegen elkaars lippen, en kusten opnieuw, dieper. Zijn hand ging naar mijn wang. Mijn hand naar zijn shirt. Achter ons snurkte de student door, trouw als een metronoom.
"Als je wilt stoppen," fluisterde hij.
"Ik wil niet stoppen," fluisterde ik terug. "Maar stil. Alsjeblieft."
We trokken het gordijntje van onze couchette zo ver mogelijk dicht. Het was geen echte privacy, maar genoeg voor wat we deden: handen onder kleding, adem inhoudend, zijn mond op mijn keel terwijl mijn vingers zijn riem openden. Hij was hard. Ik was nat — dat voelde ik toen zijn hand tussen mijn dijen gleed, over mijn slips, eronder, en me vond met twee vingers die langzaam cirkelden. Ik beet in zijn schouder om stil te blijven. Hij fluisterde mijn naam alsof het een geheim was dat alleen de rails mochten horen.
Ik trok mijn rok omhoog, schoof mijn slips opzij. Hij keek me aan — vraagt toestemming zonder woorden. Ik knikte, leidde hem naar me toe, voelde de dikte van hem tegen mijn opening. Hij ging langzaam naar binnen terwijl de trein een tunnel inreed en het licht even uitviel. In het donker voelde alles scherper: de druk, de warmte, zijn adem tegen mijn mond, de manier waarop hij wachtte tot ik hem dieper nam. Toen het licht terugkwam, bewoog hij. Kort, diep, met zijn hand op mijn mond als ik te hard dreigde te zuchten. Ik zoog aan zijn vingers. Hij glimlachte, ogen halfdicht.
Het was geen wilde vrijpartij. Het was iets dat paste bij een nachttrein: gedempt, ritmisch, met de schommeling van de rails als metronoom. Hij hield mijn heup vast. Ik hield de rand van het bankje. Elke keer dat we een station passeerden — stemmen op een perron, een fluit, de deuren — bleven we stil; elke keer dat we weer reden, vonden we elkaar opnieuw. Zijn duim vond mijn clitoris, wreef in kleine cirkels terwijl hij in me stootte. Ik kwam met een trilling die ik in zijn nek verborg, terwijl buiten de namen van Franse dorpen voorbijflitsten in gele letters. Mijn binnenste kneep om hem heen. Hij floot zacht door zijn tanden.
Hij kwam kort daarna, diep in me, met een geluid dat hij in mijn haar stopte. We bleven in elkaar tot onze adem gelijk liep. Toen schoven we uit elkaar, rechtten kleding, veegden natte plekken weg met een zakdoek die hij uit zijn jaszak haalde, en lachten zacht omdat de student nog steeds snurkte alsof er niets was gebeurd. De thee was koud. We dronken hem toch.
"Ik had dit niet gepland," zei hij.
"Ik ook niet." Ik streek een pluk haar uit zijn gezicht. "Maar ik heb er geen spijt van. Jij?"
"Geen seconde."
Ik had verwacht dat ik me schuldig zou voelen tegenover wat ik achterliet. Dat gebeurde niet meteen. Wat er wél gebeurde, was een soort helderheid: mijn lichaam herinnerde zich hoe het was om gekozen te worden zonder geschiedenis, zonder ruzie die nog in de muren hing. Thomas vroeg of ik water wilde. Ik schudde mijn hoofd en kroop dichter tegen hem aan tot de ochtend het compartiment grijs kleurde en de student wakker mompelde zonder iets te vermoeden.
We praatten tot de ochtend grijs werd. Over kleine dingen: favoriete stations, slechte koffie, een boek dat hij ooit in een trein had laten liggen en nooit meer terugzag. Hij vroeg of hij me in Lyon een bericht mocht sturen. Ik gaf mijn nummer, schreef het op de binnenkant van zijn ticket omdat ik geen pen bij me had en hij wel. Niet omdat ik een nieuw leven zocht in één nacht, maar omdat die nacht echt was geweest — warm, eensgezind, met een begin en een einde dat geen abrupt afkappen was. Hij vroeg naar het litteken bij zijn wenkbrauw toen ik er toch naar wees: een steiger, jaren geleden, niks ernstigs. Ik kuste eroverheen. Hij sloot zijn ogen.
Bij aankomst hielp hij weer met mijn koffer. Op het perron kuste hij me één keer, kort, bij mijn slaap. "Reis voorzichtig verder," zei hij. Ik knikte. Mijn zus stond verderop te zwaaien in een rode jas. Ik liep naar haar toe met nog steeds de geur van zijn thee op mijn huid en het ritme van de rails ergens in mijn lijf. Ze vroeg of ik goed had geslapen. Ik zei: redelijk. Dat was een leugen die vriendelijk bleef.
Die avond in Lyon schreef ik hem: *De trein schommelde precies goed.* Hij antwoordde: *Jij ook.*
Ik bleef een week. We zagen elkaar twee keer: een keer voor koffie bij een fontein waar duiven onze kruimels roofden, een keer in zijn kleine studio boven een bakkerij, waar we wél de tijd namen en wél hardop mochten zijn. Hij kookte pasta. Ik bleef slapen. 's Ochtends rook het naar brood van beneden. Maar het begin — het echte begin — bleef die couchette, dat gordijntje, die nacht waarin ik voor het eerst in maanden weer voelde dat mijn lichaam van mij was, en dat ik het mocht geven aan iemand die netjes vroeg of hij mocht blijven.
In de dagen daarna in Lyon liep ik soms langs de Rhône en dacht ik aan het gordijntje, aan zijn hand op mijn mond, aan hoe netjes stilte kan zijn als twee mensen hetzelfde willen. Mijn zus merkte dat ik lichter lachte. Ze vroeg niet door. Misschien herkende ze het: een zus die even ontsnapt is aan haar eigen plot.
Op de terugreis zat ik alleen in een vergelijkbaar compartiment. Ik glimlachte naar het raam. Ergens tussen Lyon en Utrecht begreep ik dat ik niet was gevlucht. Ik was gaan bewegen. En soms is dat genoeg: een man die Thomas heet, thee die koud wordt, en een trein die je precies daar brengt waar je, voor even, weer jezelf kunt zijn.
Het compartiment was halfvol toen ik binnenkwam. Een ouder echtpaar dat meteen in slaapzakken verdween, hand in hand alsof dat vanzelfsprekend was. Een student met oortjes en een capuchon. En tegenover mij, bij het raam: een man van begin dertig, donker haar, een boek in het Frans dat hij niet leek te lezen. Hij keek op toen ik mijn koffer omhoog tilde. "Mag ik?" vroeg hij, en hielp zonder te wachten op een antwoord. Zijn handen waren zeker. Zijn stem Nederlands, met iets zachts, alsof hij gewend was zacht te praten in kleine ruimtes.
"Thomas," zei hij later, toen de conducteur voorbij was en het licht gedimd tot een oranje gloed.
"Lieke."
We praatten zacht, omdat de anderen sliepen. Over Lyon — hij ging voor werk, iets met restauratie van oude gevels, steen en kalk en geduld — en over waarom ik wegging zonder dat ik het hele verhaal gaf. Hij vroeg niet door. Dat vond ik fijn. Mensen die te snel troosten, maken het zwaarder. Hij luisterde alleen, knikte, en schonk thee uit zijn thermos in het deksel zodat we konden delen. Buiten gleed het landschap voorbij in strepen: stations, weilanden, af en toe een dorp met één lamp. De trein schommelde. Ik voelde mijn schouders zakken alsof iemand eindelijk de knoop losser deed.
Rond twee uur ging het echtpaar naar een ander rijtuig omdat hun airco rammelde. Ze namen hun slaapzakken mee en wensten ons een goede nacht, alsof ze wisten dat de nacht nog iets voor ons in petto had. De student bleef, maar zat met een capuchon over zijn gezicht en snurkte zacht, vast in zijn eigen wereld. Thomas en ik zaten tegenover elkaar. Onze knieën raakten soms bij een bocht. De eerste keer trok ik terug. De tweede keer niet. De derde keer liet ik mijn knie bewust liggen.
"Je mag dichterbij komen als je het koud hebt," zei hij half lachend. Het was niet koud. Ik kwam toch dichterbij. We deelden thee. Zijn vingers raakten de mijne om de beker. Even. Toen langer. Ik rook zeep en iets van hout — past bij gevels, dacht ik — en zag een klein littekentje bij zijn wenkbrauw waar ik naar wilde vragen en het toen niet deed.
Ik weet nog precies hoe de kus begon: niet met een besluit, met een stilte die te lang duurde. Hij leunde voorover. Ik ontmoette hem halverwege. Zijn mond was warm van de thee. De trein raakte een wissel; we lachten zacht tegen elkaars lippen, en kusten opnieuw, dieper. Zijn hand ging naar mijn wang. Mijn hand naar zijn shirt. Achter ons snurkte de student door, trouw als een metronoom.
"Als je wilt stoppen," fluisterde hij.
"Ik wil niet stoppen," fluisterde ik terug. "Maar stil. Alsjeblieft."
We trokken het gordijntje van onze couchette zo ver mogelijk dicht. Het was geen echte privacy, maar genoeg voor wat we deden: handen onder kleding, adem inhoudend, zijn mond op mijn keel terwijl mijn vingers zijn riem openden. Hij was hard. Ik was nat — dat voelde ik toen zijn hand tussen mijn dijen gleed, over mijn slips, eronder, en me vond met twee vingers die langzaam cirkelden. Ik beet in zijn schouder om stil te blijven. Hij fluisterde mijn naam alsof het een geheim was dat alleen de rails mochten horen.
Ik trok mijn rok omhoog, schoof mijn slips opzij. Hij keek me aan — vraagt toestemming zonder woorden. Ik knikte, leidde hem naar me toe, voelde de dikte van hem tegen mijn opening. Hij ging langzaam naar binnen terwijl de trein een tunnel inreed en het licht even uitviel. In het donker voelde alles scherper: de druk, de warmte, zijn adem tegen mijn mond, de manier waarop hij wachtte tot ik hem dieper nam. Toen het licht terugkwam, bewoog hij. Kort, diep, met zijn hand op mijn mond als ik te hard dreigde te zuchten. Ik zoog aan zijn vingers. Hij glimlachte, ogen halfdicht.
Het was geen wilde vrijpartij. Het was iets dat paste bij een nachttrein: gedempt, ritmisch, met de schommeling van de rails als metronoom. Hij hield mijn heup vast. Ik hield de rand van het bankje. Elke keer dat we een station passeerden — stemmen op een perron, een fluit, de deuren — bleven we stil; elke keer dat we weer reden, vonden we elkaar opnieuw. Zijn duim vond mijn clitoris, wreef in kleine cirkels terwijl hij in me stootte. Ik kwam met een trilling die ik in zijn nek verborg, terwijl buiten de namen van Franse dorpen voorbijflitsten in gele letters. Mijn binnenste kneep om hem heen. Hij floot zacht door zijn tanden.
Hij kwam kort daarna, diep in me, met een geluid dat hij in mijn haar stopte. We bleven in elkaar tot onze adem gelijk liep. Toen schoven we uit elkaar, rechtten kleding, veegden natte plekken weg met een zakdoek die hij uit zijn jaszak haalde, en lachten zacht omdat de student nog steeds snurkte alsof er niets was gebeurd. De thee was koud. We dronken hem toch.
"Ik had dit niet gepland," zei hij.
"Ik ook niet." Ik streek een pluk haar uit zijn gezicht. "Maar ik heb er geen spijt van. Jij?"
"Geen seconde."
Ik had verwacht dat ik me schuldig zou voelen tegenover wat ik achterliet. Dat gebeurde niet meteen. Wat er wél gebeurde, was een soort helderheid: mijn lichaam herinnerde zich hoe het was om gekozen te worden zonder geschiedenis, zonder ruzie die nog in de muren hing. Thomas vroeg of ik water wilde. Ik schudde mijn hoofd en kroop dichter tegen hem aan tot de ochtend het compartiment grijs kleurde en de student wakker mompelde zonder iets te vermoeden.
We praatten tot de ochtend grijs werd. Over kleine dingen: favoriete stations, slechte koffie, een boek dat hij ooit in een trein had laten liggen en nooit meer terugzag. Hij vroeg of hij me in Lyon een bericht mocht sturen. Ik gaf mijn nummer, schreef het op de binnenkant van zijn ticket omdat ik geen pen bij me had en hij wel. Niet omdat ik een nieuw leven zocht in één nacht, maar omdat die nacht echt was geweest — warm, eensgezind, met een begin en een einde dat geen abrupt afkappen was. Hij vroeg naar het litteken bij zijn wenkbrauw toen ik er toch naar wees: een steiger, jaren geleden, niks ernstigs. Ik kuste eroverheen. Hij sloot zijn ogen.
Bij aankomst hielp hij weer met mijn koffer. Op het perron kuste hij me één keer, kort, bij mijn slaap. "Reis voorzichtig verder," zei hij. Ik knikte. Mijn zus stond verderop te zwaaien in een rode jas. Ik liep naar haar toe met nog steeds de geur van zijn thee op mijn huid en het ritme van de rails ergens in mijn lijf. Ze vroeg of ik goed had geslapen. Ik zei: redelijk. Dat was een leugen die vriendelijk bleef.
Die avond in Lyon schreef ik hem: *De trein schommelde precies goed.* Hij antwoordde: *Jij ook.*
Ik bleef een week. We zagen elkaar twee keer: een keer voor koffie bij een fontein waar duiven onze kruimels roofden, een keer in zijn kleine studio boven een bakkerij, waar we wél de tijd namen en wél hardop mochten zijn. Hij kookte pasta. Ik bleef slapen. 's Ochtends rook het naar brood van beneden. Maar het begin — het echte begin — bleef die couchette, dat gordijntje, die nacht waarin ik voor het eerst in maanden weer voelde dat mijn lichaam van mij was, en dat ik het mocht geven aan iemand die netjes vroeg of hij mocht blijven.
In de dagen daarna in Lyon liep ik soms langs de Rhône en dacht ik aan het gordijntje, aan zijn hand op mijn mond, aan hoe netjes stilte kan zijn als twee mensen hetzelfde willen. Mijn zus merkte dat ik lichter lachte. Ze vroeg niet door. Misschien herkende ze het: een zus die even ontsnapt is aan haar eigen plot.
Op de terugreis zat ik alleen in een vergelijkbaar compartiment. Ik glimlachte naar het raam. Ergens tussen Lyon en Utrecht begreep ik dat ik niet was gevlucht. Ik was gaan bewegen. En soms is dat genoeg: een man die Thomas heet, thee die koud wordt, en een trein die je precies daar brengt waar je, voor even, weer jezelf kunt zijn.
