Een zondag voor mezelf
Het was de eerste zondag in maanden dat ik het huis helemaal voor mezelf had. Mijn huisgenoot Stijn was naar zijn ouders in Zwolle, de buren waren op vakantie, en buiten regende het zo hard dat zelfs de duiven op het dak waren gaan schuilen. Ik ben Sven, ik ben negenentwintig, en ik had me voorgenomen om de hele dag niets nuttigs te doen.
Dat lukte tot ongeveer elf uur. Ik had koffie gezet, een boek gepakt, drie bladzijden gelezen en het weer weggelegd. De regen tikte tegen het raam van mijn slaapkamer en het licht was grijs en zacht. Ik lag op bed in een joggingbroek en een oud T-shirt, en ik merkte dat ik onrustig was op een manier die ik kende.
Het is grappig hoe dat werkt. Doordeweeks is masturberen voor mij iets functioneels geworden. Vijf minuten onder de douche, of 's avonds laat met mijn telefoon, snel en een beetje lusteloos, meer om te kunnen slapen dan om iets te voelen. Ik had het er een keer met een vriend over gehad, half lachend, en hij had gezegd: ‘Man, je behandelt jezelf alsof je een afwasmachine leegruimt.’ Dat was blijven hangen.
Dus besloot ik het die zondag anders te doen. Geen telefoon. Geen haast. Gewoon ik, de regen en de hele middag.
Ik stond op en trok de gordijnen half dicht, zodat het licht nog zachter werd. Ik zette muziek op, iets langzaams met veel bas, niet te hard. Ik pakte de fles massageolie die ik ooit van een ex had gekregen en die al twee jaar ongeopend in mijn la lag. Ik voelde me een beetje belachelijk, eerlijk gezegd, alsof ik een date voorbereidde met mezelf. Maar misschien was dat precies het punt.
Ik trok mijn shirt uit en mijn broek, en ging op mijn rug liggen, naakt, op het dekbed. De kamer was koel genoeg om kippenvel te krijgen. Ik liet het gebeuren. Ik deed mijn ogen dicht en ademde een paar keer diep in, zoals een yogadocent ooit had gezegd tijdens een les waar ik nooit meer heen was gegaan.
In plaats van meteen naar beneden te gaan, begon ik bij mijn borst. Ik goot wat olie in mijn hand, warmde het op tussen mijn handpalmen en streek over mijn borstkas. Het voelde vreemd, en toen niet meer. Mijn vingers gleden over mijn tepels en ik schrok bijna van hoe gevoelig die waren. Wanneer had ik daar voor het laatst aandacht aan besteed? Ik wist het niet. Ik draaide er langzaam rondjes omheen en voelde hoe er iets wakker werd, onderin mijn buik.
Ik liet mijn handen verder dwalen. Over mijn ribben, mijn buik, de lijn van haar onder mijn navel. Mijn heupen. De binnenkant van mijn dijen. Ik was inmiddels hard, maar ik raakte mezelf daar nog niet aan. Ik dwong mezelf te wachten, en dat wachten was op zich al een soort genot. Elke keer dat mijn vingers in de buurt kwamen, trok ik ze terug, en mijn lichaam reageerde met een kleine schok van frustratie.
Buiten rommelde het. De regen werd harder. Ik dacht aan niets in het bijzonder, en toen aan iets heel specifieks: aan de vrouw van de bakkerij op de hoek, met haar meelstof op haar onderarmen en haar lach die door de hele winkel galmde. We hadden nooit meer gewisseld dan een paar zinnen over croissants. Maar in mijn hoofd stond ze nu bij het voeteneind van mijn bed, met haar armen over elkaar, en keek ze naar me. Benieuwd wat ik zou doen.
Ik vond het een prettige gedachte. Niet om er iets mee te doen in het echt; het was gewoon fijn om me voor te stellen dat iemand keek, en dat ik me niet hoefde te haasten.
Pas toen pakte ik mezelf vast. Langzaam. Mijn hand glibberig van de olie. Ik zuchtte hardop, en het klonk bijna ongemakkelijk luid in de stille kamer. Ik bewoog een paar keer op en neer, heel traag, en stopte toen weer. Ik liet los en legde mijn hand op mijn buik, voelde mijn hart bonzen.
Het spel duurde een eeuwigheid, of misschien twintig minuten. Ik bracht mezelf op en liet mezelf weer zakken, steeds opnieuw. Ik probeerde verschillende dingen. Mijn duim over de eikel, in kleine cirkels. Mijn andere hand die mijn ballen omvatte, zachtjes trok. Mijn vingers die lager gleden, naar dat plekje erachter waar ik nooit aan durfde te komen, en dat ineens een warme, diepe golf door mijn bekken stuurde. Ik hijgde. Ik voelde zweet op mijn bovenlip.
Het was alsof ik een lichaam aan het leren kennen was dat ik negenentwintig jaar lang als vanzelfsprekend had beschouwd. Ik ontdekte dat ik het fijner vond als ik langzaam ging dan snel, en dat de top gevoeliger was aan één kant dan aan de andere. Ik ontdekte dat mijn tenen krulden als ik vlak bij de rand stopte, en dat het stoppen zelf een soort tinteling achterliet die tot in mijn vingertoppen trok.
Ergens halverwege begon ik te praten. Niet echt tegen iemand. Gewoon zachtjes, dingen als ‘ja’ en ‘nog niet’, en ik moest er zelf om grinniken. De vrouw van de bakkerij was allang verdwenen uit mijn hoofd. Er was alleen nog het gevoel, en de regen, en de bas van de muziek die door het matras leek te trillen.
Toen ik voor de vijfde of zesde keer bij de rand kwam, besloot ik het niet meer tegen te houden. Ik kneep mijn ogen dicht, zette mijn hielen in het dekbed en liet mijn hand zijn gang gaan, sneller nu, strakker, met mijn andere hand plat op mijn borst. Mijn hele lichaam spande zich aan. Ik voelde het aankomen vanuit een plek die dieper zat dan normaal, ergens onder in mijn rug, en toen het kwam, kwam het in golven. Niet één korte schok, zoals doordeweeks, maar een lange, rollende beweging die me deed kreunen, echt kreunen, zonder me te schamen. Ik kwam op mijn buik en mijn borst, warm en veel, en ik bleef bewegen tot het te gevoelig werd en ik lachend losliet.
Daarna lag ik stil. Mijn hart bonkte in mijn oren. De muziek was afgelopen zonder dat ik het had gemerkt, en er was alleen nog de regen. Ik voelde me zwaar en licht tegelijk, alsof iemand alle spanning uit mijn spieren had geknepen.
Ik weet niet hoe lang ik zo lag. Lang genoeg om het koud te krijgen. Uiteindelijk stond ik op, veegde mezelf schoon met een handdoek en ging onder de douche staan, heet, met mijn handen tegen de tegels. Ik dacht aan wat mijn vriend had gezegd, over de afwasmachine. Hij had gelijk gehad. Ik had mezelf al jaren behandeld als een klus.
Toen ik weer aangekleed op de bank zat, met een nieuwe kop koffie, keek ik naar buiten. Het was opgeklaard. Er hing een flauwe regenboog boven de daken aan de overkant, zo'n kitscherige die je eigenlijk niet serieus kunt nemen.
Ik pakte mijn telefoon en appte mijn vriend. ‘Je had gelijk over die afwasmachine.’
Hij stuurde drie huilende lachgezichtjes terug. ‘Ik wil hier niets meer over weten,’ schreef hij. En daarna: ‘Maar goed zo.’
Die middag liep ik nog even naar de hoek. De bakkerij was dicht op zondag, natuurlijk. Ik keek door de etalage naar de lege schappen en moest grijnzen om mezelf. Op de terugweg kocht ik bij de Turkse supermarkt een brood en een bos verse munt, en 's avonds kookte ik voor mezelf alsof er iemand kwam eten.
Het werd een gewoonte, die zondagen. Niet elke week, en niet altijd met olie en muziek. Maar wel altijd met tijd. Ik leerde dat het niet ging om het moment zelf, maar om de aandacht ervoor. Dat ik mezelf mocht behandelen als iemand die het waard was om langzaam aangeraakt te worden.
Toen ik een paar maanden later iemand leerde kennen, een rustige vrouw met krullen die Noor heette, merkte ik het verschil. Ik wist wat ik fijn vond, en ik durfde het te zeggen. En ik wist hoe ik moest wachten.
‘Waar heb jij dat geleerd?’ vroeg ze, op een regenachtige ochtend, met haar hoofd op mijn borst.
Ik dacht aan die eerste zondag. Aan het grijze licht, de regen, de fles olie die twee jaar in mijn la had gelegen.
‘Bij mezelf,’ zei ik. En ze lachte, en vroeg niet verder, en ik trok haar dichter tegen me aan terwijl de regen tegen het raam tikte.
Dat lukte tot ongeveer elf uur. Ik had koffie gezet, een boek gepakt, drie bladzijden gelezen en het weer weggelegd. De regen tikte tegen het raam van mijn slaapkamer en het licht was grijs en zacht. Ik lag op bed in een joggingbroek en een oud T-shirt, en ik merkte dat ik onrustig was op een manier die ik kende.
Het is grappig hoe dat werkt. Doordeweeks is masturberen voor mij iets functioneels geworden. Vijf minuten onder de douche, of 's avonds laat met mijn telefoon, snel en een beetje lusteloos, meer om te kunnen slapen dan om iets te voelen. Ik had het er een keer met een vriend over gehad, half lachend, en hij had gezegd: ‘Man, je behandelt jezelf alsof je een afwasmachine leegruimt.’ Dat was blijven hangen.
Dus besloot ik het die zondag anders te doen. Geen telefoon. Geen haast. Gewoon ik, de regen en de hele middag.
Ik stond op en trok de gordijnen half dicht, zodat het licht nog zachter werd. Ik zette muziek op, iets langzaams met veel bas, niet te hard. Ik pakte de fles massageolie die ik ooit van een ex had gekregen en die al twee jaar ongeopend in mijn la lag. Ik voelde me een beetje belachelijk, eerlijk gezegd, alsof ik een date voorbereidde met mezelf. Maar misschien was dat precies het punt.
Ik trok mijn shirt uit en mijn broek, en ging op mijn rug liggen, naakt, op het dekbed. De kamer was koel genoeg om kippenvel te krijgen. Ik liet het gebeuren. Ik deed mijn ogen dicht en ademde een paar keer diep in, zoals een yogadocent ooit had gezegd tijdens een les waar ik nooit meer heen was gegaan.
In plaats van meteen naar beneden te gaan, begon ik bij mijn borst. Ik goot wat olie in mijn hand, warmde het op tussen mijn handpalmen en streek over mijn borstkas. Het voelde vreemd, en toen niet meer. Mijn vingers gleden over mijn tepels en ik schrok bijna van hoe gevoelig die waren. Wanneer had ik daar voor het laatst aandacht aan besteed? Ik wist het niet. Ik draaide er langzaam rondjes omheen en voelde hoe er iets wakker werd, onderin mijn buik.
Ik liet mijn handen verder dwalen. Over mijn ribben, mijn buik, de lijn van haar onder mijn navel. Mijn heupen. De binnenkant van mijn dijen. Ik was inmiddels hard, maar ik raakte mezelf daar nog niet aan. Ik dwong mezelf te wachten, en dat wachten was op zich al een soort genot. Elke keer dat mijn vingers in de buurt kwamen, trok ik ze terug, en mijn lichaam reageerde met een kleine schok van frustratie.
Buiten rommelde het. De regen werd harder. Ik dacht aan niets in het bijzonder, en toen aan iets heel specifieks: aan de vrouw van de bakkerij op de hoek, met haar meelstof op haar onderarmen en haar lach die door de hele winkel galmde. We hadden nooit meer gewisseld dan een paar zinnen over croissants. Maar in mijn hoofd stond ze nu bij het voeteneind van mijn bed, met haar armen over elkaar, en keek ze naar me. Benieuwd wat ik zou doen.
Ik vond het een prettige gedachte. Niet om er iets mee te doen in het echt; het was gewoon fijn om me voor te stellen dat iemand keek, en dat ik me niet hoefde te haasten.
Pas toen pakte ik mezelf vast. Langzaam. Mijn hand glibberig van de olie. Ik zuchtte hardop, en het klonk bijna ongemakkelijk luid in de stille kamer. Ik bewoog een paar keer op en neer, heel traag, en stopte toen weer. Ik liet los en legde mijn hand op mijn buik, voelde mijn hart bonzen.
Het spel duurde een eeuwigheid, of misschien twintig minuten. Ik bracht mezelf op en liet mezelf weer zakken, steeds opnieuw. Ik probeerde verschillende dingen. Mijn duim over de eikel, in kleine cirkels. Mijn andere hand die mijn ballen omvatte, zachtjes trok. Mijn vingers die lager gleden, naar dat plekje erachter waar ik nooit aan durfde te komen, en dat ineens een warme, diepe golf door mijn bekken stuurde. Ik hijgde. Ik voelde zweet op mijn bovenlip.
Het was alsof ik een lichaam aan het leren kennen was dat ik negenentwintig jaar lang als vanzelfsprekend had beschouwd. Ik ontdekte dat ik het fijner vond als ik langzaam ging dan snel, en dat de top gevoeliger was aan één kant dan aan de andere. Ik ontdekte dat mijn tenen krulden als ik vlak bij de rand stopte, en dat het stoppen zelf een soort tinteling achterliet die tot in mijn vingertoppen trok.
Ergens halverwege begon ik te praten. Niet echt tegen iemand. Gewoon zachtjes, dingen als ‘ja’ en ‘nog niet’, en ik moest er zelf om grinniken. De vrouw van de bakkerij was allang verdwenen uit mijn hoofd. Er was alleen nog het gevoel, en de regen, en de bas van de muziek die door het matras leek te trillen.
Toen ik voor de vijfde of zesde keer bij de rand kwam, besloot ik het niet meer tegen te houden. Ik kneep mijn ogen dicht, zette mijn hielen in het dekbed en liet mijn hand zijn gang gaan, sneller nu, strakker, met mijn andere hand plat op mijn borst. Mijn hele lichaam spande zich aan. Ik voelde het aankomen vanuit een plek die dieper zat dan normaal, ergens onder in mijn rug, en toen het kwam, kwam het in golven. Niet één korte schok, zoals doordeweeks, maar een lange, rollende beweging die me deed kreunen, echt kreunen, zonder me te schamen. Ik kwam op mijn buik en mijn borst, warm en veel, en ik bleef bewegen tot het te gevoelig werd en ik lachend losliet.
Daarna lag ik stil. Mijn hart bonkte in mijn oren. De muziek was afgelopen zonder dat ik het had gemerkt, en er was alleen nog de regen. Ik voelde me zwaar en licht tegelijk, alsof iemand alle spanning uit mijn spieren had geknepen.
Ik weet niet hoe lang ik zo lag. Lang genoeg om het koud te krijgen. Uiteindelijk stond ik op, veegde mezelf schoon met een handdoek en ging onder de douche staan, heet, met mijn handen tegen de tegels. Ik dacht aan wat mijn vriend had gezegd, over de afwasmachine. Hij had gelijk gehad. Ik had mezelf al jaren behandeld als een klus.
Toen ik weer aangekleed op de bank zat, met een nieuwe kop koffie, keek ik naar buiten. Het was opgeklaard. Er hing een flauwe regenboog boven de daken aan de overkant, zo'n kitscherige die je eigenlijk niet serieus kunt nemen.
Ik pakte mijn telefoon en appte mijn vriend. ‘Je had gelijk over die afwasmachine.’
Hij stuurde drie huilende lachgezichtjes terug. ‘Ik wil hier niets meer over weten,’ schreef hij. En daarna: ‘Maar goed zo.’
Die middag liep ik nog even naar de hoek. De bakkerij was dicht op zondag, natuurlijk. Ik keek door de etalage naar de lege schappen en moest grijnzen om mezelf. Op de terugweg kocht ik bij de Turkse supermarkt een brood en een bos verse munt, en 's avonds kookte ik voor mezelf alsof er iemand kwam eten.
Het werd een gewoonte, die zondagen. Niet elke week, en niet altijd met olie en muziek. Maar wel altijd met tijd. Ik leerde dat het niet ging om het moment zelf, maar om de aandacht ervoor. Dat ik mezelf mocht behandelen als iemand die het waard was om langzaam aangeraakt te worden.
Toen ik een paar maanden later iemand leerde kennen, een rustige vrouw met krullen die Noor heette, merkte ik het verschil. Ik wist wat ik fijn vond, en ik durfde het te zeggen. En ik wist hoe ik moest wachten.
‘Waar heb jij dat geleerd?’ vroeg ze, op een regenachtige ochtend, met haar hoofd op mijn borst.
Ik dacht aan die eerste zondag. Aan het grijze licht, de regen, de fles olie die twee jaar in mijn la had gelegen.
‘Bij mezelf,’ zei ik. En ze lachte, en vroeg niet verder, en ik trok haar dichter tegen me aan terwijl de regen tegen het raam tikte.
