De laatste warme avond van september
Hanna wist dat het de laatste warme avond van het jaar zou zijn. Het weerbericht had het gezegd, de lucht zei het, en haar lichaam zei het ook: die vreemde onrust die ze altijd voelde als de zomer op het punt stond om te verdwijnen.
Ze was vijfenveertig, sinds twee jaar gescheiden, en woonde in een klein huis aan de rand van een dorp in Drenthe, met achter de tuin een hek en achter het hek de heide. Kilometers heide, paars in augustus, nu langzaam bruin wordend. Ze kende er elk pad. Ze liep er elke ochtend met de hond, en soms 's avonds alleen, als ze niet kon slapen.
Vincent woonde drie huizen verderop. Hij was weduwnaar, een paar jaar ouder dan zij, timmerman, met handen vol oude littekens en een lach die je pas zag als je hem verdiende. Ze kenden elkaar van het groeten over de heg, van een keer dat hij haar schutting had gerepareerd na een storm, van de buurtbarbecue waar ze samen het langst waren blijven zitten, pratend over boeken die ze geen van beiden van iemand anders hadden verwacht.
Sindsdien was er iets. Niets uitgesprokens. Een blik die te lang duurde. Een hand op haar arm als hij haar een kop koffie aangaf. Een zomer lang hadden ze om elkaar heen gedraaid als twee mensen die allebei te veel hadden verloren om nog iets te durven.
Die avond stond hij ineens aan haar achterdeur, met een fles wijn en twee glazen.
'Het is de laatste warme avond,' zei hij. 'Dat zeggen ze. Ik dacht, die moet je niet binnen doorbrengen.'
Ze lachte. 'Ik dacht precies hetzelfde.'
Ze liepen samen door het hekje de heide op. De zon stond laag en kleurde alles goud, de pollen gras, de berken, de verre rand van het bos. Het rook naar warme aarde en hars. De hond had ze thuisgelaten. Ze wist niet waarom, maar ze wist het wel.
Ze vonden een plek op een kleine verhoging, een zandheuveltje met een paar dennen eromheen, waar je ver over de heide kon kijken en waar niemand kwam. Vincent spreidde een oude legerdeken uit die hij onder zijn arm had gedragen. Ze gingen zitten, schenen in en keken naar de zon die langzaam wegzakte.
'Ik moet je iets zeggen,' zei Vincent na een tijdje.
Hanna's hart sloeg over. 'Oké.'
'Ik ben er niet goed in. Dit soort dingen. Ik ben al twintig jaar met niemand anders geweest dan met Ellen. En sinds zij er niet meer is...' Hij zweeg. 'Ik denk de hele zomer aan je. Dat is wat ik wilde zeggen.'
Ze keek naar zijn profiel tegen de gouden lucht. Ze zag hoe nerveus hij was, hoe hij zijn glas vasthield alsof het hem overeind hield.
'Ik ook,' zei ze. 'Aan jou.'
Hij draaide zich naar haar toe. Ze wist niet wie er begon, alleen dat ze elkaar ineens kusten, voorzichtig, als twee mensen die het verleerd waren. Zijn lippen waren warm en smaakten naar wijn. Zijn hand lag op haar wang. Ze voelde de ruwe huid van zijn vingers en dacht: dit, dit heb ik gemist.
De kus werd langer. Dieper. Ze legde haar hand in zijn nek en trok hem dichter naar zich toe. Hij maakte een zacht geluid, bijna verbaasd, en toen lag ze op haar rug op de deken en lag hij half over haar heen, en de lucht boven hen was oranje en roze en de eerste ster verscheen.
'Hier?' vroeg hij, tegen haar lippen.
Ze keek om zich heen. De dennen, de heide, de lege horizon. Een buizerd die hoog boven hen cirkelde. 'Er is hier niemand,' zei ze. 'Al kilometers niet.'
'Weet je het zeker?'
'Ik heb nog nooit iets zo zeker geweten.'
Hij kleedde haar langzaam uit, alsof hij elk moment wilde onthouden. Eerst haar blouse, knoopje voor knoopje. Toen haar bh. Hij keek naar haar borsten in het laatste licht en zei niets, maar zijn gezicht zei genoeg. Hij boog zich voorover en kuste ze, één voor één, nam haar tepel in zijn mond, en Hanna sloot haar ogen en voelde de avondlucht over haar huid strijken.
Ze trok aan zijn shirt. Hij hielp haar. Zijn lichaam was sterk en een beetje zacht rond het midden, met grijze haren op zijn borst, en ze vond hem prachtig. Ze liet haar handen over zijn rug gaan, over zijn schouders, en voelde hoe hij trilde.
'Het is lang geleden,' fluisterde hij.
'Voor mij ook.' Ze glimlachte. 'We hebben geen haast.'
Ze hadden geen haast. Hij trok haar rok uit, en haar slipje, en kuste zich een weg naar beneden, over haar buik, over de binnenkant van haar dijen. Toen zijn mond haar eindelijk vond, greep ze de deken met beide handen vast. Hij was voorzichtig en aandachtig, zoals ze wist dat hij met hout was, luisterend naar wat ze nodig had. Hij leerde snel. Elke keer dat ze kreunde, onthield hij wat hij deed.
Boven hen werd de lucht dieper blauw. Ergens in de verte riep een uil. Hanna voelde het warme zand onder de deken, de koele lucht op haar natte huid, en de tong van Vincent die haar langzaam en onverbiddelijk naar de rand dreef. Ze kwam met haar hand in zijn haar en zijn naam op haar lippen, en het geluid dat ze maakte rolde over de lege heide.
Ze trok hem omhoog en kuste hem, proefde zichzelf op zijn lippen. Ze maakte zijn broek los. Hij was hard, en ze nam hem in haar hand en voelde hoe hij zijn adem inhield.
'Ik wil je,' zei ze. 'Nu.'
Hij lag tussen haar benen en keek haar aan, en in het schemerlicht zag ze iets in zijn ogen dat op angst leek en op hoop tegelijk. Ze pakte zijn gezicht in haar handen.
'Het is goed,' zei ze. 'Het is goed, Vincent.'
Hij gleed langzaam bij haar naar binnen. Ze voelden het allebei, dat moment waarop je vol bent van een ander, en ze hielden allebei hun adem in. Toen begon hij te bewegen, langzaam, met lange diepe bewegingen, en zij sloeg haar benen om hem heen en trok hem dichter.
Het was niet wild. Het was iets anders. Het was twee mensen die elkaar vonden in het donker, onder de eerste sterren, op een deken op het zand. Ze keken elkaar aan, bijna de hele tijd. Hij fluisterde dingen tegen haar die ze later niet meer precies wist, alleen hoe ze klonken. Ze bewoog met hem mee, haar handen op zijn rug, haar hielen in zijn billen, en voelde het opnieuw opbouwen, trager dit keer, dieper.
'Hanna,' zei hij, en zijn stem brak. 'Ik kan niet...'
'Niet inhouden,' zei ze. 'Kom maar.'
Hij stootte nog een paar keer, dieper, en toen kwam hij met een lange kreun, zijn gezicht in haar hals. Het voelen van hem, het schokken van zijn lichaam, het warme gewicht op haar, duwde haar over het randje, en ze kwam een tweede keer, zachter maar langer, als een golf die maar niet ophield.
Ze bleven zo liggen. Hij werd zwaar op haar en ze vond het heerlijk. Na een tijdje rolde hij van haar af, op zijn rug, en trok haar tegen zich aan. De deken was verfrommeld, er zat zand op hun benen. Boven hen stond nu een hele hemel vol sterren. Hanna had ze nog nooit zo helder gezien.
'De Melkweg,' zei Vincent, en hij wees. 'Daar. Zie je hem?'
Ze zag hem. Een zachte witte streep dwars door het zwart.
'Ellen kende alle sterrenbeelden,' zei hij. 'Ik heb er nooit naar geluisterd.'
Hanna legde haar hand op zijn borst, waar zijn hart nu weer rustig sloeg. 'Je mag over haar praten,' zei ze. 'Altijd. Ik wil dat je dat weet.'
Hij was een tijd stil. Toen kuste hij haar op haar voorhoofd. 'Dank je.'
Het werd koud, eindelijk, zoals het weerbericht had beloofd. Ze voelden het allebei tegelijk, de eerste kille bries die over de heide kwam, en ze lachten en kleedden zich half aan en wikkelden zich samen in de deken. Ze dronken de laatste wijn uit de fles. De buizerd was allang weg. Een ree stak in de verte een pad over, een schim in het sterrenlicht.
'Ik wil dit vaker,' zei Vincent. 'Niet alleen dit. Alles. Koffie. Wandelen. Boeken. Jou.'
'Ook als het niet meer warm is?' vroeg ze.
'Vooral dan.'
Ze liepen hand in hand terug, over het pad dat ze allebei kenden, door het hekje haar tuin in. Bij haar achterdeur bleef hij staan, onzeker, zoals hij die avond was begonnen.
'Blijf je?' vroeg ze.
Hij keek naar haar, en toen lachte hij, die lach die je moest verdienen. 'Graag.'
De volgende ochtend regende het. De herfst was begonnen, precies zoals voorspeld. Hanna lag in bed met Vincent naast zich en luisterde naar de druppels op het dak, en de hond lag aan het voeteneind en keek hen allebei verwijtend aan.
Ze dacht aan de deken, die nog vol zand in de bijkeuken lag. Ze zou hem niet wassen, besloot ze. Nog niet. Volgend jaar, op de eerste warme avond, zouden ze hem weer meenemen.
Ze was vijfenveertig, sinds twee jaar gescheiden, en woonde in een klein huis aan de rand van een dorp in Drenthe, met achter de tuin een hek en achter het hek de heide. Kilometers heide, paars in augustus, nu langzaam bruin wordend. Ze kende er elk pad. Ze liep er elke ochtend met de hond, en soms 's avonds alleen, als ze niet kon slapen.
Vincent woonde drie huizen verderop. Hij was weduwnaar, een paar jaar ouder dan zij, timmerman, met handen vol oude littekens en een lach die je pas zag als je hem verdiende. Ze kenden elkaar van het groeten over de heg, van een keer dat hij haar schutting had gerepareerd na een storm, van de buurtbarbecue waar ze samen het langst waren blijven zitten, pratend over boeken die ze geen van beiden van iemand anders hadden verwacht.
Sindsdien was er iets. Niets uitgesprokens. Een blik die te lang duurde. Een hand op haar arm als hij haar een kop koffie aangaf. Een zomer lang hadden ze om elkaar heen gedraaid als twee mensen die allebei te veel hadden verloren om nog iets te durven.
Die avond stond hij ineens aan haar achterdeur, met een fles wijn en twee glazen.
'Het is de laatste warme avond,' zei hij. 'Dat zeggen ze. Ik dacht, die moet je niet binnen doorbrengen.'
Ze lachte. 'Ik dacht precies hetzelfde.'
Ze liepen samen door het hekje de heide op. De zon stond laag en kleurde alles goud, de pollen gras, de berken, de verre rand van het bos. Het rook naar warme aarde en hars. De hond had ze thuisgelaten. Ze wist niet waarom, maar ze wist het wel.
Ze vonden een plek op een kleine verhoging, een zandheuveltje met een paar dennen eromheen, waar je ver over de heide kon kijken en waar niemand kwam. Vincent spreidde een oude legerdeken uit die hij onder zijn arm had gedragen. Ze gingen zitten, schenen in en keken naar de zon die langzaam wegzakte.
'Ik moet je iets zeggen,' zei Vincent na een tijdje.
Hanna's hart sloeg over. 'Oké.'
'Ik ben er niet goed in. Dit soort dingen. Ik ben al twintig jaar met niemand anders geweest dan met Ellen. En sinds zij er niet meer is...' Hij zweeg. 'Ik denk de hele zomer aan je. Dat is wat ik wilde zeggen.'
Ze keek naar zijn profiel tegen de gouden lucht. Ze zag hoe nerveus hij was, hoe hij zijn glas vasthield alsof het hem overeind hield.
'Ik ook,' zei ze. 'Aan jou.'
Hij draaide zich naar haar toe. Ze wist niet wie er begon, alleen dat ze elkaar ineens kusten, voorzichtig, als twee mensen die het verleerd waren. Zijn lippen waren warm en smaakten naar wijn. Zijn hand lag op haar wang. Ze voelde de ruwe huid van zijn vingers en dacht: dit, dit heb ik gemist.
De kus werd langer. Dieper. Ze legde haar hand in zijn nek en trok hem dichter naar zich toe. Hij maakte een zacht geluid, bijna verbaasd, en toen lag ze op haar rug op de deken en lag hij half over haar heen, en de lucht boven hen was oranje en roze en de eerste ster verscheen.
'Hier?' vroeg hij, tegen haar lippen.
Ze keek om zich heen. De dennen, de heide, de lege horizon. Een buizerd die hoog boven hen cirkelde. 'Er is hier niemand,' zei ze. 'Al kilometers niet.'
'Weet je het zeker?'
'Ik heb nog nooit iets zo zeker geweten.'
Hij kleedde haar langzaam uit, alsof hij elk moment wilde onthouden. Eerst haar blouse, knoopje voor knoopje. Toen haar bh. Hij keek naar haar borsten in het laatste licht en zei niets, maar zijn gezicht zei genoeg. Hij boog zich voorover en kuste ze, één voor één, nam haar tepel in zijn mond, en Hanna sloot haar ogen en voelde de avondlucht over haar huid strijken.
Ze trok aan zijn shirt. Hij hielp haar. Zijn lichaam was sterk en een beetje zacht rond het midden, met grijze haren op zijn borst, en ze vond hem prachtig. Ze liet haar handen over zijn rug gaan, over zijn schouders, en voelde hoe hij trilde.
'Het is lang geleden,' fluisterde hij.
'Voor mij ook.' Ze glimlachte. 'We hebben geen haast.'
Ze hadden geen haast. Hij trok haar rok uit, en haar slipje, en kuste zich een weg naar beneden, over haar buik, over de binnenkant van haar dijen. Toen zijn mond haar eindelijk vond, greep ze de deken met beide handen vast. Hij was voorzichtig en aandachtig, zoals ze wist dat hij met hout was, luisterend naar wat ze nodig had. Hij leerde snel. Elke keer dat ze kreunde, onthield hij wat hij deed.
Boven hen werd de lucht dieper blauw. Ergens in de verte riep een uil. Hanna voelde het warme zand onder de deken, de koele lucht op haar natte huid, en de tong van Vincent die haar langzaam en onverbiddelijk naar de rand dreef. Ze kwam met haar hand in zijn haar en zijn naam op haar lippen, en het geluid dat ze maakte rolde over de lege heide.
Ze trok hem omhoog en kuste hem, proefde zichzelf op zijn lippen. Ze maakte zijn broek los. Hij was hard, en ze nam hem in haar hand en voelde hoe hij zijn adem inhield.
'Ik wil je,' zei ze. 'Nu.'
Hij lag tussen haar benen en keek haar aan, en in het schemerlicht zag ze iets in zijn ogen dat op angst leek en op hoop tegelijk. Ze pakte zijn gezicht in haar handen.
'Het is goed,' zei ze. 'Het is goed, Vincent.'
Hij gleed langzaam bij haar naar binnen. Ze voelden het allebei, dat moment waarop je vol bent van een ander, en ze hielden allebei hun adem in. Toen begon hij te bewegen, langzaam, met lange diepe bewegingen, en zij sloeg haar benen om hem heen en trok hem dichter.
Het was niet wild. Het was iets anders. Het was twee mensen die elkaar vonden in het donker, onder de eerste sterren, op een deken op het zand. Ze keken elkaar aan, bijna de hele tijd. Hij fluisterde dingen tegen haar die ze later niet meer precies wist, alleen hoe ze klonken. Ze bewoog met hem mee, haar handen op zijn rug, haar hielen in zijn billen, en voelde het opnieuw opbouwen, trager dit keer, dieper.
'Hanna,' zei hij, en zijn stem brak. 'Ik kan niet...'
'Niet inhouden,' zei ze. 'Kom maar.'
Hij stootte nog een paar keer, dieper, en toen kwam hij met een lange kreun, zijn gezicht in haar hals. Het voelen van hem, het schokken van zijn lichaam, het warme gewicht op haar, duwde haar over het randje, en ze kwam een tweede keer, zachter maar langer, als een golf die maar niet ophield.
Ze bleven zo liggen. Hij werd zwaar op haar en ze vond het heerlijk. Na een tijdje rolde hij van haar af, op zijn rug, en trok haar tegen zich aan. De deken was verfrommeld, er zat zand op hun benen. Boven hen stond nu een hele hemel vol sterren. Hanna had ze nog nooit zo helder gezien.
'De Melkweg,' zei Vincent, en hij wees. 'Daar. Zie je hem?'
Ze zag hem. Een zachte witte streep dwars door het zwart.
'Ellen kende alle sterrenbeelden,' zei hij. 'Ik heb er nooit naar geluisterd.'
Hanna legde haar hand op zijn borst, waar zijn hart nu weer rustig sloeg. 'Je mag over haar praten,' zei ze. 'Altijd. Ik wil dat je dat weet.'
Hij was een tijd stil. Toen kuste hij haar op haar voorhoofd. 'Dank je.'
Het werd koud, eindelijk, zoals het weerbericht had beloofd. Ze voelden het allebei tegelijk, de eerste kille bries die over de heide kwam, en ze lachten en kleedden zich half aan en wikkelden zich samen in de deken. Ze dronken de laatste wijn uit de fles. De buizerd was allang weg. Een ree stak in de verte een pad over, een schim in het sterrenlicht.
'Ik wil dit vaker,' zei Vincent. 'Niet alleen dit. Alles. Koffie. Wandelen. Boeken. Jou.'
'Ook als het niet meer warm is?' vroeg ze.
'Vooral dan.'
Ze liepen hand in hand terug, over het pad dat ze allebei kenden, door het hekje haar tuin in. Bij haar achterdeur bleef hij staan, onzeker, zoals hij die avond was begonnen.
'Blijf je?' vroeg ze.
Hij keek naar haar, en toen lachte hij, die lach die je moest verdienen. 'Graag.'
De volgende ochtend regende het. De herfst was begonnen, precies zoals voorspeld. Hanna lag in bed met Vincent naast zich en luisterde naar de druppels op het dak, en de hond lag aan het voeteneind en keek hen allebei verwijtend aan.
Ze dacht aan de deken, die nog vol zand in de bijkeuken lag. Ze zou hem niet wassen, besloot ze. Nog niet. Volgend jaar, op de eerste warme avond, zouden ze hem weer meenemen.
