Precies op tijd
Elke vrijdag om tien voor zes kwam ze binnen. Je kon er de klok op gelijkzetten: de bel boven de deur, het geluid van haar paraplu die ze in de bak bij de ingang liet zakken, en dan haar stem, een beetje hees, alsof ze de hele dag in vergaderingen had gepraat. 'Ik ben weer laat, hè.'
Ze was nooit laat. Ik sloot om zes uur. Maar ze zei het elke week, en elke week zei ik dat het geen probleem was, en dan stond ze tussen de emmers met tulpen en ranonkels en keek ze rond alsof ze de winkel voor het eerst zag.
Ze heette Ilse. Dat wist ik omdat ze een keer met haar pas had betaald en ik haar naam op het schermpje had zien staan, en daarna had ik hem in mijn hoofd gehouden zoals je een kiezelsteen in je jaszak houdt. Ze was ergens eind dertig, droeg altijd een lange camelkleurige jas en had zilvergrijze strepen in haar donkere haar die ze niet verfde. Architect, vermoedde ik, vanwege de kokers met tekeningen die ze soms onder haar arm had. Ze koos nooit iets voor de hand liggends. Geen rozen. Eén keer een bos takken met witte bloesem, één keer alleen anemonen, donkerpaars met een zwart hart.
'Voor wie zijn ze deze keer?' vroeg ik op een vrijdag in maart. Ik had het nooit eerder gevraagd. Het regende al de hele dag en de ramen waren beslagen, en misschien was het de regen die me brutaal maakte.
Ze keek me aan, met die grijsgroene ogen, en heel even dacht ik dat ik een grens over was gegaan.
'Voor mezelf,' zei ze. 'Altijd al. Vind je dat zielig?'
'Nee,' zei ik. 'Ik vind dat juist mooi.'
Ze glimlachte, en het was een andere glimlach dan die ik kende, minder beleefd, meer van haar. Ik draaide het bordje op de deur om naar Gesloten zonder erover na te denken. Het was één minuut voor zes. Ze zag het. Ze zei er niets over.
'Kies jij maar eens,' zei ze. 'Ik ben benieuwd wat jij bij me vindt passen.'
Ik heb dertien jaar lang boeketten gemaakt voor andere mensen. Voor bruiloften, voor begrafenissen, voor mannen die iets goed moesten maken en vrouwen die een collega wilden bedanken. Ik had nog nooit zo lang staan twijfelen. Ik pakte uiteindelijk ranonkels in een zacht abrikooskleur, een paar takjes eucalyptus, en één donkerrode helleborus die er eigenlijk niet bij hoorde, die het hele boeket net iets gevaarlijks gaf.
'Waarom die?' vroeg ze, en ze tikte met een vinger tegen de donkere bloem.
'Omdat je eruitziet alsof je dat ook ergens hebt,' zei ik. 'Onder die jas.'
Het werd heel stil in de winkel. Alleen de regen, en het gezoem van de koelcel achterin. Ze legde haar handen plat op de toonbank, aan weerszijden van het boeket, en boog zich een stukje naar me toe.
'Sanne,' zei ze. Ze kende mijn naam ook. Natuurlijk, die stond op de deur. 'Hoe lang wil je dit al zeggen?'
'Sinds november, ongeveer.'
'Ik sinds oktober,' zei ze. 'Ik kom hier elke week bloemen kopen die ik niet nodig heb. Mijn hele huis staat vol vazen.'
Ik lachte, een raar, opgelucht geluid, en toen kwam ik achter de toonbank vandaan. Ik weet niet meer wie de laatste stap zette. Ik weet alleen dat haar jas nat was van de regen en koud tegen mijn armen, en dat haar mond warm was, en dat ze naar koffie smaakte en naar iets zoets, een pepermuntje misschien. Ze kuste langzaam, alsof ze de tijd wilde nemen om me uit te zoeken. Haar hand vond mijn nek, haar duim op die gevoelige plek achter mijn oor, en ik voelde mijn knieën een fractie toegeven.
'Niet hier,' fluisterde ik tegen haar lippen. 'De ramen.'
'Waar dan?'
Ik nam haar mee naar achteren, door het gordijn, naar de werkplaats. Het is er koel en het ruikt er altijd naar natte stelen en aarde. Er staat een lange houten werktafel vol krassen, met rollen lint aan de muur en emmers op de vloer. Ze keek rond, nam alles in zich op, en toen keek ze naar mij.
'Dus dit is waar je het doet,' zei ze.
'Wat?'
'Mooie dingen maken.'
Ik trok haar jas van haar schouders en hing hem over een emmer. Daaronder droeg ze een zwarte coltrui en een wijde broek, en ik schoof mijn handen onder de trui, over de warme huid van haar rug. Ze haalde scherp adem. Ik voelde het kippenvel onder mijn vingertoppen opkomen.
'Je handen zijn koud,' zei ze.
'Sorry.'
'Niet stoppen.'
Ik trok de trui over haar hoofd. Ze droeg een eenvoudige zwarte beha, en haar huid was bleker dan ik had gedacht, met een spatje sproeten op haar sleutelbeen. Ik kuste die sproeten één voor één, en ze lachte zacht en haalde haar handen door mijn haar. Toen ze mijn schort losknoopte, ging het onhandig: de knoop zat te strak, en we stonden er allebei aan te frunniken tot ze zei: 'Jezus, wat is dit, een kuisheidsgordel?' en ik zo hard moest lachen dat ik tegen haar schouder leunde.
Daarna ging het makkelijker. Mijn schort op de grond, mijn shirt erbovenop. Ze keek naar me in het tl-licht, dat licht dat niemand flatteert, en ze keek alsof ik het mooiste was wat ze die week had gezien.
'Ik heb hier zo vaak aan gedacht,' zei ze. 'Hoe je zou zijn. Als ik je zag met die tangen en dat lint.'
'En?'
'Beter.'
Ze tilde me op de werktafel. Ze was sterker dan ze eruitzag. Het hout was koel onder mijn dijen en ik voelde een stukje raffia prikken, maar het kon me niets schelen. Ze ging tussen mijn knieën staan en kuste me weer, dieper nu, met haar handen op mijn heupen, en ik maakte haar beha los en voelde het gewicht van haar borsten in mijn handen. Haar tepels waren hard. Toen ik er met mijn duim overheen streek, maakte ze een geluid dat ik meteen opnieuw wilde horen.
Ze kuste mijn hals, mijn schouder, de welving van mijn borst. Haar mond was heet en ze nam alle tijd. Ik leunde achterover op mijn ellebogen en keek naar het plafond, naar de droogbloemen die daar ondersteboven aan een rek hingen, lavendel en strobloemen en hortensia's, en ik dacht: dit gebeurt echt. In mijn eigen werkplaats. Op een vrijdag.
Ze knoopte mijn spijkerbroek open en keek naar me op. 'Mag ik?'
'Ja,' zei ik. 'Alsjeblieft ja.'
Ze trok mijn broek en mijn slipje in één beweging naar beneden en liet ze op de vloer vallen, tussen de afgeknipte stelen. Toen knielde ze. Ze kuste de binnenkant van mijn knie, mijn dij, steeds hoger, zo langzaam dat ik mijn heupen naar haar toe schoof zonder dat ik het wilde. Ze lachte tegen mijn huid. 'Geduld,' zei ze. 'Jij bent toch de vrouw die tulpen laat opengaan.'
Toen haar tong me eindelijk raakte, greep ik de rand van de tafel vast. Ze was zacht en precies, alsof ze aandachtig luisterde naar elke ademhaling die ik maakte, en zodra ze iets vond waar ik van rilde, bleef ze daar. Ze schoof twee vingers in me, langzaam, en kromde ze, en ik hoorde mezelf haar naam zeggen, steeds weer, zachter en harder. Buiten liep iemand voorbij met een fietsbel. Het voelde alsof het ergens anders gebeurde, in een andere stad.
Ik kwam met mijn hand in haar haar en mijn hielen tegen haar rug, en het was zo hevig dat er een emmer omviel toen ik met mijn voet uitschoot. Water over de vloer, een bos fresia's die over de tegels gleed. Geen van ons beiden keek ernaar.
Ze stond op, haar lippen glanzend, haar haar in de war. Ik trok haar tegen me aan en kuste haar en proefde mezelf op haar mond.
'Jouw beurt,' zei ik.
'We hebben geen haast,' zei ze, maar haar stem trilde.
'Ik woon boven,' zei ik. 'Er is een bed. Een echt bed. Zonder raffia.'
We gingen de smalle trap op, half aangekleed, haar coltrui in mijn hand en mijn shirt verkeerd om. Mijn appartement boven de winkel is klein en rommelig, met planten in de vensterbank en een bed onder het schuine dak, en de regen tikte op het dakraam. Ik legde haar neer en kleedde haar verder uit, deze keer langzaam, zoals zij bij mij had gedaan. Haar broek. Haar slipje, zwart en eenvoudig. Haar lichaam was lang en slank, met een litteken laag op haar buik en zachte, donkere krullen tussen haar benen.
Ik nam de tijd. Ik had altijd gedacht dat ik haar alleen kende van een paar minuten per week, maar ik merkte dat ik haar wel degelijk kende: de manier waarop ze haar hoofd schuin hield als ze iets mooi vond, hoe ze haar adem inhield vlak voor ze lachte. Ik herkende het allemaal terug in hoe ze reageerde. Toen ik haar tussen haar dijen kuste, hield ze haar adem in. Toen ik mijn tong over haar clitoris liet glijden, langzaam en plat, liet ze hem trillend los.
'Daar,' fluisterde ze. 'Precies daar, Sanne.'
Ik bleef daar. Ik voelde haar dijen tegen mijn wangen spannen, haar hand die het laken vastgreep en daarna de mijne zocht. Ik vlocht mijn vingers door de hare en hield vast. Haar heupen kwamen omhoog van het matras, en ze kwam met een lange, gebroken zucht en mijn naam halverwege, en daarna lag ze stil, op mijn hand na, die ze zo stevig vasthield dat het bijna pijn deed.
Ik kroop naast haar. Ze draaide zich naar me toe en legde haar voorhoofd tegen het mijne. We waren allebei een beetje buiten adem.
'Ik moet je iets bekennen,' zei ze na een tijdje.
'Nog meer?'
'Die vazen. Bij mij thuis. Ik heb ze allemaal bewaard. Ik heb er inmiddels zeventien.'
'Zeventien.'
'Ik ben gewoon blijven kopen. Ik durfde niet te stoppen met komen, en ik durfde ook niet iets te zeggen.'
Ik lachte en kuste haar schouder. 'Je had ook gewoon om mijn nummer kunnen vragen.'
'Dan had je nee kunnen zeggen,' zei ze. 'En dan had ik nergens meer bloemen kunnen kopen. Jij bent de enige goede in de buurt.'
We lagen een hele tijd zo. De regen werd minder. Op een gegeven moment stond ik op en zette thee, en we zaten in het donker op bed met de mokken in onze handen, haar benen over de mijne, en praatten over van alles. Over haar werk: ze tekende bibliotheken, bleek het. Over de mijne. Over de vrouw met wie ze vijf jaar had samengewoond en die naar Kopenhagen was vertrokken. Over hoe het is om op je vijfendertigste een winkel over te nemen van je oom en niet te weten of je de huur gaat halen.
Ergens na middernacht viel ze in slaap met haar hoofd op mijn borst. Ik bleef nog lang wakker en luisterde naar haar ademhaling, en ik dacht aan de omgevallen emmer beneden en de fresia's op de vloer, en dat ik die morgen allemaal zou moeten opruimen, en dat het me helemaal niets kon schelen.
De vrijdag daarop ging om tien voor zes de bel boven de deur.
Ik had al een boeket klaarstaan. Ranonkels, eucalyptus, één donkerrode helleborus. Er hing een kaartje aan het lint, en daarop had ik in mijn mooiste handschrift geschreven: voor de achttiende vaas.
Ilse las het en lachte, en toen keek ze me aan op die manier van haar, met haar hoofd een beetje schuin.
'Ben ik weer laat?' vroeg ze.
Ik kwam achter de toonbank vandaan, liep langs haar heen naar de deur, en draaide het bordje om naar Gesloten.
'Precies op tijd,' zei ik.
Ze was nooit laat. Ik sloot om zes uur. Maar ze zei het elke week, en elke week zei ik dat het geen probleem was, en dan stond ze tussen de emmers met tulpen en ranonkels en keek ze rond alsof ze de winkel voor het eerst zag.
Ze heette Ilse. Dat wist ik omdat ze een keer met haar pas had betaald en ik haar naam op het schermpje had zien staan, en daarna had ik hem in mijn hoofd gehouden zoals je een kiezelsteen in je jaszak houdt. Ze was ergens eind dertig, droeg altijd een lange camelkleurige jas en had zilvergrijze strepen in haar donkere haar die ze niet verfde. Architect, vermoedde ik, vanwege de kokers met tekeningen die ze soms onder haar arm had. Ze koos nooit iets voor de hand liggends. Geen rozen. Eén keer een bos takken met witte bloesem, één keer alleen anemonen, donkerpaars met een zwart hart.
'Voor wie zijn ze deze keer?' vroeg ik op een vrijdag in maart. Ik had het nooit eerder gevraagd. Het regende al de hele dag en de ramen waren beslagen, en misschien was het de regen die me brutaal maakte.
Ze keek me aan, met die grijsgroene ogen, en heel even dacht ik dat ik een grens over was gegaan.
'Voor mezelf,' zei ze. 'Altijd al. Vind je dat zielig?'
'Nee,' zei ik. 'Ik vind dat juist mooi.'
Ze glimlachte, en het was een andere glimlach dan die ik kende, minder beleefd, meer van haar. Ik draaide het bordje op de deur om naar Gesloten zonder erover na te denken. Het was één minuut voor zes. Ze zag het. Ze zei er niets over.
'Kies jij maar eens,' zei ze. 'Ik ben benieuwd wat jij bij me vindt passen.'
Ik heb dertien jaar lang boeketten gemaakt voor andere mensen. Voor bruiloften, voor begrafenissen, voor mannen die iets goed moesten maken en vrouwen die een collega wilden bedanken. Ik had nog nooit zo lang staan twijfelen. Ik pakte uiteindelijk ranonkels in een zacht abrikooskleur, een paar takjes eucalyptus, en één donkerrode helleborus die er eigenlijk niet bij hoorde, die het hele boeket net iets gevaarlijks gaf.
'Waarom die?' vroeg ze, en ze tikte met een vinger tegen de donkere bloem.
'Omdat je eruitziet alsof je dat ook ergens hebt,' zei ik. 'Onder die jas.'
Het werd heel stil in de winkel. Alleen de regen, en het gezoem van de koelcel achterin. Ze legde haar handen plat op de toonbank, aan weerszijden van het boeket, en boog zich een stukje naar me toe.
'Sanne,' zei ze. Ze kende mijn naam ook. Natuurlijk, die stond op de deur. 'Hoe lang wil je dit al zeggen?'
'Sinds november, ongeveer.'
'Ik sinds oktober,' zei ze. 'Ik kom hier elke week bloemen kopen die ik niet nodig heb. Mijn hele huis staat vol vazen.'
Ik lachte, een raar, opgelucht geluid, en toen kwam ik achter de toonbank vandaan. Ik weet niet meer wie de laatste stap zette. Ik weet alleen dat haar jas nat was van de regen en koud tegen mijn armen, en dat haar mond warm was, en dat ze naar koffie smaakte en naar iets zoets, een pepermuntje misschien. Ze kuste langzaam, alsof ze de tijd wilde nemen om me uit te zoeken. Haar hand vond mijn nek, haar duim op die gevoelige plek achter mijn oor, en ik voelde mijn knieën een fractie toegeven.
'Niet hier,' fluisterde ik tegen haar lippen. 'De ramen.'
'Waar dan?'
Ik nam haar mee naar achteren, door het gordijn, naar de werkplaats. Het is er koel en het ruikt er altijd naar natte stelen en aarde. Er staat een lange houten werktafel vol krassen, met rollen lint aan de muur en emmers op de vloer. Ze keek rond, nam alles in zich op, en toen keek ze naar mij.
'Dus dit is waar je het doet,' zei ze.
'Wat?'
'Mooie dingen maken.'
Ik trok haar jas van haar schouders en hing hem over een emmer. Daaronder droeg ze een zwarte coltrui en een wijde broek, en ik schoof mijn handen onder de trui, over de warme huid van haar rug. Ze haalde scherp adem. Ik voelde het kippenvel onder mijn vingertoppen opkomen.
'Je handen zijn koud,' zei ze.
'Sorry.'
'Niet stoppen.'
Ik trok de trui over haar hoofd. Ze droeg een eenvoudige zwarte beha, en haar huid was bleker dan ik had gedacht, met een spatje sproeten op haar sleutelbeen. Ik kuste die sproeten één voor één, en ze lachte zacht en haalde haar handen door mijn haar. Toen ze mijn schort losknoopte, ging het onhandig: de knoop zat te strak, en we stonden er allebei aan te frunniken tot ze zei: 'Jezus, wat is dit, een kuisheidsgordel?' en ik zo hard moest lachen dat ik tegen haar schouder leunde.
Daarna ging het makkelijker. Mijn schort op de grond, mijn shirt erbovenop. Ze keek naar me in het tl-licht, dat licht dat niemand flatteert, en ze keek alsof ik het mooiste was wat ze die week had gezien.
'Ik heb hier zo vaak aan gedacht,' zei ze. 'Hoe je zou zijn. Als ik je zag met die tangen en dat lint.'
'En?'
'Beter.'
Ze tilde me op de werktafel. Ze was sterker dan ze eruitzag. Het hout was koel onder mijn dijen en ik voelde een stukje raffia prikken, maar het kon me niets schelen. Ze ging tussen mijn knieën staan en kuste me weer, dieper nu, met haar handen op mijn heupen, en ik maakte haar beha los en voelde het gewicht van haar borsten in mijn handen. Haar tepels waren hard. Toen ik er met mijn duim overheen streek, maakte ze een geluid dat ik meteen opnieuw wilde horen.
Ze kuste mijn hals, mijn schouder, de welving van mijn borst. Haar mond was heet en ze nam alle tijd. Ik leunde achterover op mijn ellebogen en keek naar het plafond, naar de droogbloemen die daar ondersteboven aan een rek hingen, lavendel en strobloemen en hortensia's, en ik dacht: dit gebeurt echt. In mijn eigen werkplaats. Op een vrijdag.
Ze knoopte mijn spijkerbroek open en keek naar me op. 'Mag ik?'
'Ja,' zei ik. 'Alsjeblieft ja.'
Ze trok mijn broek en mijn slipje in één beweging naar beneden en liet ze op de vloer vallen, tussen de afgeknipte stelen. Toen knielde ze. Ze kuste de binnenkant van mijn knie, mijn dij, steeds hoger, zo langzaam dat ik mijn heupen naar haar toe schoof zonder dat ik het wilde. Ze lachte tegen mijn huid. 'Geduld,' zei ze. 'Jij bent toch de vrouw die tulpen laat opengaan.'
Toen haar tong me eindelijk raakte, greep ik de rand van de tafel vast. Ze was zacht en precies, alsof ze aandachtig luisterde naar elke ademhaling die ik maakte, en zodra ze iets vond waar ik van rilde, bleef ze daar. Ze schoof twee vingers in me, langzaam, en kromde ze, en ik hoorde mezelf haar naam zeggen, steeds weer, zachter en harder. Buiten liep iemand voorbij met een fietsbel. Het voelde alsof het ergens anders gebeurde, in een andere stad.
Ik kwam met mijn hand in haar haar en mijn hielen tegen haar rug, en het was zo hevig dat er een emmer omviel toen ik met mijn voet uitschoot. Water over de vloer, een bos fresia's die over de tegels gleed. Geen van ons beiden keek ernaar.
Ze stond op, haar lippen glanzend, haar haar in de war. Ik trok haar tegen me aan en kuste haar en proefde mezelf op haar mond.
'Jouw beurt,' zei ik.
'We hebben geen haast,' zei ze, maar haar stem trilde.
'Ik woon boven,' zei ik. 'Er is een bed. Een echt bed. Zonder raffia.'
We gingen de smalle trap op, half aangekleed, haar coltrui in mijn hand en mijn shirt verkeerd om. Mijn appartement boven de winkel is klein en rommelig, met planten in de vensterbank en een bed onder het schuine dak, en de regen tikte op het dakraam. Ik legde haar neer en kleedde haar verder uit, deze keer langzaam, zoals zij bij mij had gedaan. Haar broek. Haar slipje, zwart en eenvoudig. Haar lichaam was lang en slank, met een litteken laag op haar buik en zachte, donkere krullen tussen haar benen.
Ik nam de tijd. Ik had altijd gedacht dat ik haar alleen kende van een paar minuten per week, maar ik merkte dat ik haar wel degelijk kende: de manier waarop ze haar hoofd schuin hield als ze iets mooi vond, hoe ze haar adem inhield vlak voor ze lachte. Ik herkende het allemaal terug in hoe ze reageerde. Toen ik haar tussen haar dijen kuste, hield ze haar adem in. Toen ik mijn tong over haar clitoris liet glijden, langzaam en plat, liet ze hem trillend los.
'Daar,' fluisterde ze. 'Precies daar, Sanne.'
Ik bleef daar. Ik voelde haar dijen tegen mijn wangen spannen, haar hand die het laken vastgreep en daarna de mijne zocht. Ik vlocht mijn vingers door de hare en hield vast. Haar heupen kwamen omhoog van het matras, en ze kwam met een lange, gebroken zucht en mijn naam halverwege, en daarna lag ze stil, op mijn hand na, die ze zo stevig vasthield dat het bijna pijn deed.
Ik kroop naast haar. Ze draaide zich naar me toe en legde haar voorhoofd tegen het mijne. We waren allebei een beetje buiten adem.
'Ik moet je iets bekennen,' zei ze na een tijdje.
'Nog meer?'
'Die vazen. Bij mij thuis. Ik heb ze allemaal bewaard. Ik heb er inmiddels zeventien.'
'Zeventien.'
'Ik ben gewoon blijven kopen. Ik durfde niet te stoppen met komen, en ik durfde ook niet iets te zeggen.'
Ik lachte en kuste haar schouder. 'Je had ook gewoon om mijn nummer kunnen vragen.'
'Dan had je nee kunnen zeggen,' zei ze. 'En dan had ik nergens meer bloemen kunnen kopen. Jij bent de enige goede in de buurt.'
We lagen een hele tijd zo. De regen werd minder. Op een gegeven moment stond ik op en zette thee, en we zaten in het donker op bed met de mokken in onze handen, haar benen over de mijne, en praatten over van alles. Over haar werk: ze tekende bibliotheken, bleek het. Over de mijne. Over de vrouw met wie ze vijf jaar had samengewoond en die naar Kopenhagen was vertrokken. Over hoe het is om op je vijfendertigste een winkel over te nemen van je oom en niet te weten of je de huur gaat halen.
Ergens na middernacht viel ze in slaap met haar hoofd op mijn borst. Ik bleef nog lang wakker en luisterde naar haar ademhaling, en ik dacht aan de omgevallen emmer beneden en de fresia's op de vloer, en dat ik die morgen allemaal zou moeten opruimen, en dat het me helemaal niets kon schelen.
De vrijdag daarop ging om tien voor zes de bel boven de deur.
Ik had al een boeket klaarstaan. Ranonkels, eucalyptus, één donkerrode helleborus. Er hing een kaartje aan het lint, en daarop had ik in mijn mooiste handschrift geschreven: voor de achttiende vaas.
Ilse las het en lachte, en toen keek ze me aan op die manier van haar, met haar hoofd een beetje schuin.
'Ben ik weer laat?' vroeg ze.
Ik kwam achter de toonbank vandaan, liep langs haar heen naar de deur, en draaide het bordje om naar Gesloten.
'Precies op tijd,' zei ik.
