Waar het pad ophoudt
Het was Sems idee geweest, en zoals met de meeste van Sems ideeën had ik ja gezegd voordat ik er goed over had nagedacht. Vier dagen fietsen door de Ardennen, van Luik naar La Roche en via een lus terug, met tassen aan de bagagedrager en een slaapplek die we elke middag ergens zouden regelen. 'Gewoon wij tweeën,' had hij gezegd, aan de bar van de fietsclub, met schuim op zijn bovenlip. 'Geen groepsapp, geen Gert die om de tien kilometer wil stoppen voor een foto.'
Ik kende Sem twee jaar. Twee jaar zondagochtenden in zijn wiel, waarin ik mezelf had aangeleerd om niet te lang naar zijn kuiten te kijken als hij voor me uit klom. Hij was hetero, had ik altijd aangenomen. Er was een ex geweest, Iris, over wie hij weinig zei. Ik had nooit gevraagd. Zoiets vraag je niet.
De eerste dag was zwaar en mooi. Op een terras boven het Maasdal ritste Sem zijn shirt tot halverwege open. Er zat zout op zijn sleutelbeenderen, witte randjes van opgedroogd zweet, en ik keek naar mijn bord.
De tweede avond was er in de gîte in Durbuy nog maar één kamer vrij. Eén tweepersoonsbed, een kruisbeeld boven de deur en een raam dat uitkeek op een moestuin. Sem haalde zijn schouders op. 'We zijn toch volwassen,' zei hij, en hij grijnsde naar me, en ik zei dat het prima was.
Het was niet prima. Ik lag die nacht op mijn rug op de uiterste rand van het matras en luisterde naar zijn ademhaling. Hij sliep niet. En één keer, ergens na middernacht, voelde ik zijn voet tegen mijn kuit. Hij trok hem niet terug. Ik ook niet. Zo lagen we, een uur misschien, met dat ene stukje huid tussen ons in als een vraag die geen van ons hardop durfde te stellen.
's Ochtends deed hij alsof er niets gebeurd was. Ik ook.
De derde dag was de mooiste. Na Hotton week de route af van de grote weg en volgde de Ourthe, en ergens na de middag wees Sem naar een grindpad dat tussen de bomen naar beneden liep, naar het water. 'Even van de kaart af?' vroeg hij.
We duwden de fietsen over wortels en losse stenen, tot het bos ineens openviel en we bij een bocht in de rivier stonden. Een strookje gras, een paar grote platte rotsen die warm waren van de zon, aan de overkant een steile helling vol eiken. Geen huis, geen weg. Alleen het water en ergens hoog een specht.
'Jezus,' zei ik.
'Mooi, hè?' Sem zette zijn fiets tegen een boom en trok zonder iets te zeggen zijn shirt over zijn hoofd. Zijn armen waren bruin tot precies waar zijn mouwtjes ophielden; daarboven was hij bleek, met die scherpe lijn die iedere wielrenner heeft. Hij schopte zijn schoenen uit, stroopte zijn koersbroek af en stond daar in zijn onderbroek, en toen ook zonder, en liep het water in alsof het niks was.
Hij gilde toen het water tot zijn middel kwam. Ik moest lachen, en dat lachen maakte iets in me los, en ik kleedde me uit en liep hem achterna.
Het water was ijskoud en heerlijk. We zwommen even en klommen daarna druipend op de grootste rots. We lagen naast elkaar op onze rug in de zon. Ik had mijn ogen dicht. Ik voelde de warmte van de steen onder me en de warmte van de zon op me en, op een paar centimeter afstand, de warmte van hem.
'Lucas,' zei hij.
'Hm.'
'Gisternacht.'
Ik deed mijn ogen open. Hij lag op zijn zij, op zijn elleboog, en keek me aan. Er liep een druppel water van zijn haar langs zijn slaap.
'Ik heb niet geslapen,' zei hij.
'Ik weet het.'
'Ik heb de hele nacht liggen denken of ik mijn voet moest weghalen.' Hij keek even weg, naar het water, en weer terug. 'En toen dacht ik: als hij hem niet weghaalt, dan...'
'Dan wat?'
Hij antwoordde niet. Hij boog zich naar me toe, heel langzaam, alsof hij me alle tijd wilde geven om me af te wenden, en toen ik dat niet deed, kuste hij me.
Hij smaakte naar rivierwater en naar de reep die hij een uur eerder had gegeten. Zijn lippen waren koud en zijn mond was warm, en ik hoorde mezelf een geluid maken dat ik niet van plan was geweest. Ik legde mijn hand in zijn nek. Hij kwam dichterbij, half over me heen, en ik voelde zijn hele lengte tegen mijn zij, nat en koel en dan ineens helemaal niet meer koel.
'Twee jaar,' zei ik tegen zijn mond.
Hij trok zich een paar centimeter terug. 'Wat?'
'Twee jaar in jouw wiel, zonder één keer naar je kont te kijken.'
Hij begon te lachen, met zijn voorhoofd tegen het mijne. 'Dat is gelogen.'
'Dat is helemaal gelogen.'
'Ik wist het,' zei hij. 'Ik wist het en ik durfde niet. Ik dacht: als ik het verkeerd heb, moet ik een nieuwe club zoeken.'
'En Iris?'
'Iris wist het eerder dan ik.' Hij haalde zijn schouders op, een klein, eerlijk gebaar. 'Daarom is het uit. Niet alleen daarom. Maar ook.'
Ik kuste hem opnieuw, en deze keer was er geen voorzichtigheid meer. De rots was te hard en te heet, en na een minuut trok Sem me overeind en mee, het gras op, achter een rij vlierstruiken waar de grond zacht was en de schaduw gespikkeld. Hij spreidde zijn handdoek uit. Natuurlijk had hij een handdoek bij zich; Sem had altijd alles bij zich.
Ik had me dit vaak voorgesteld, in de stille uren na een zondagsrit. Ik had me nooit voorgesteld dat het zo zou zijn: buiten, midden op een dinsdagmiddag, met een specht boven ons en het geruis van de rivier, met zijn huid die naar zon en zweet en water rook. Onze handen dwaalden, alsof we na twee jaar kijken eerst alles moesten nagaan wat we gezien hadden. De harde rand van zijn heupbeen. Het donkere spoor haar onder zijn navel.
Hij was hard. Ik ook, al sinds de rots, en toen ik mijn hand om hem heen sloot, kneep hij zijn ogen dicht en zei mijn naam op een manier die ik nooit meer zal vergeten.
'Langzaam,' fluisterde hij. 'Ik wil dat dit even duurt.'
Ik bewoog langzaam. Hij lag op zijn rug met één arm boven zijn hoofd, zijn mond half open, en keek naar me met een blik waarin iets verbaasds zat, alsof hij niet kon geloven dat dit zijn eigen middag was. Toen draaide hij zich naar me toe, duwde me zachtjes op mijn rug en schoof naar beneden.
Zijn mond was warm na al dat koude water. Hij nam me in zich op met een soort eerbiedige grondigheid die zo typisch Sem was, dezelfde aandacht waarmee hij zijn ketting smeerde of een route uitstippelde, en ik moest mijn hand in het gras klauwen om niet meteen te komen. Ik keek omhoog, naar het licht door de vlierbladeren, en voelde zijn tong, zijn lippen, zijn hand die mijn dij omklemde.
'Kom hier,' zei ik schor. 'Kom hier, ik wil jou ook.'
Hij kwam omhoog en ik draaide ons om, zodat ik over hem heen lag, en ging op mijn beurt naar beneden. Hij smaakte naar zout en naar de rivier. Ik nam de tijd. Ik wilde alles weten: welk geluid hij maakte als ik mijn tong langs de onderkant liet glijden, hoe zijn buik aanspande als ik hem diep nam, hoe zijn vingers zich in mijn haar vlochten en niet duwden, alleen vasthielden. Hij praatte, half verstaanbaar, flarden van zinnen, mijn naam, vloeken, iets wat klonk als 'eindelijk'.
Uiteindelijk trok hij me omhoog, tegen zich aan, en lagen we op onze zij, borst tegen borst, met zijn been tussen de mijne. Hij spuugde in zijn hand, nam ons allebei tegelijk vast en bewoog. Ik legde mijn hand over de zijne. Zo vonden we een ritme, samen, zoals we dat op de fiets ook altijd vonden zonder erover te praten: hij die versnelde, ik die volgde, hij die even inhield zodat ik bij kon blijven.
'Ik ga,' zei hij tegen mijn hals. 'Lucas, ik ga...'
'Ik ook.'
Hij kwam eerst, met een schok die door zijn hele lijf liep, zijn tanden in mijn schouder, en ik volgde een paar seconden later, warm tussen ons in, met mijn gezicht in zijn natte haar en de zon in mijn ogen. Het duurde lang. Het voelde alsof er twee jaar uit me wegstroomde.
Daarna lagen we stil, mijn hart bonzend tegen het zijne.
En toen hoorden we stemmen.
Ze kwamen van de rivier. Sem schoot overeind op zijn ellebogen. Door de vlierstruiken zagen we drie kano's de bocht om komen, felgeel, met een gezin erin dat luidkeels een Vlaams liedje zong. Een jongetje in een te groot zwemvest wees naar onze fietsen tegen de boom.
We doken plat op de handdoek. Sem drukte zijn gezicht in mijn borst en schudde van ingehouden lachen. De kano's dreven langs, het lied stierf weg achter de volgende bocht, en pas toen het helemaal stil was, rolden we van elkaar af en lagen we op onze rug te hikken van het lachen, plakkerig en naakt en volkomen belachelijk.
'Nou,' zei Sem, toen hij weer kon praten. 'Dat was dan ons eerste publiek.'
'Ons eerste,' herhaalde ik.
Hij keek opzij. 'Ja,' zei hij. 'Ons eerste. Ik ga ervan uit dat er meer komen. Kano's, bedoel ik.'
'Natuurlijk bedoel je kano's.'
We spoelden ons af in de rivier, die nog net zo ijskoud was, en kleedden ons aan op de warme rots. Halverwege het pad omhoog bleef Sem staan, draaide zich om en kuste me nog een keer, met het stuur in mijn ribben.
Het was al na zessen toen we de laatste twintig kilometer naar La Roche reden. De zon hing laag boven de heuvels en kleurde de rivier koperrood. Op de vlakke stukken reden we naast elkaar, op een weg waar geen auto kwam. Op de laatste klim, een venijnig stuk van acht procent vlak voor het dorp, zakte ik in. Sem liet zich terugvallen tot hij naast me reed en legde zonder iets te zeggen zijn hand plat op mijn onderrug. Hij duwde niet echt. Hij liet hem gewoon liggen, warm door mijn shirt heen, tot we boven waren.
'Dat doe je bij Gert nooit,' zei ik, hijgend.
'Gert heb ik ook nooit gezien zoals ik jou vanmiddag zag,' zei Sem.
Vanaf de top zagen we het dorp liggen, de kasteelruïne op de rots, de lichtjes die al aangingen langs de kade. We bleven even staan, onze fietsen tussen onze benen, en keken. Hij zocht mijn hand en vond hem.
'Morgen rijden we terug naar Luik,' zei ik.
Hij was even stil. 'Of niet,' zei hij toen.
'Of niet?'
'Ik heb nog vier vrije dagen. Jij ook, als ik me niet vergis.' Hij kneep in mijn vingers. 'Er is een lus naar het zuiden, langs de Semois. Veel bochten in de rivier. Heel weinig mensen.'
'En een gîte met maar één bed?'
'Die bel ik vanavond,' zei Sem, en hij grijnsde naar me in het laatste licht. 'Ik vraag gewoon of ze toevallig nog een kamer met één bed hebben. Voor de zekerheid.'
We reden de helling af, het dorp in, en voor het eerst in twee jaar reed ik niet in zijn wiel, maar ernaast.
Ik kende Sem twee jaar. Twee jaar zondagochtenden in zijn wiel, waarin ik mezelf had aangeleerd om niet te lang naar zijn kuiten te kijken als hij voor me uit klom. Hij was hetero, had ik altijd aangenomen. Er was een ex geweest, Iris, over wie hij weinig zei. Ik had nooit gevraagd. Zoiets vraag je niet.
De eerste dag was zwaar en mooi. Op een terras boven het Maasdal ritste Sem zijn shirt tot halverwege open. Er zat zout op zijn sleutelbeenderen, witte randjes van opgedroogd zweet, en ik keek naar mijn bord.
De tweede avond was er in de gîte in Durbuy nog maar één kamer vrij. Eén tweepersoonsbed, een kruisbeeld boven de deur en een raam dat uitkeek op een moestuin. Sem haalde zijn schouders op. 'We zijn toch volwassen,' zei hij, en hij grijnsde naar me, en ik zei dat het prima was.
Het was niet prima. Ik lag die nacht op mijn rug op de uiterste rand van het matras en luisterde naar zijn ademhaling. Hij sliep niet. En één keer, ergens na middernacht, voelde ik zijn voet tegen mijn kuit. Hij trok hem niet terug. Ik ook niet. Zo lagen we, een uur misschien, met dat ene stukje huid tussen ons in als een vraag die geen van ons hardop durfde te stellen.
's Ochtends deed hij alsof er niets gebeurd was. Ik ook.
De derde dag was de mooiste. Na Hotton week de route af van de grote weg en volgde de Ourthe, en ergens na de middag wees Sem naar een grindpad dat tussen de bomen naar beneden liep, naar het water. 'Even van de kaart af?' vroeg hij.
We duwden de fietsen over wortels en losse stenen, tot het bos ineens openviel en we bij een bocht in de rivier stonden. Een strookje gras, een paar grote platte rotsen die warm waren van de zon, aan de overkant een steile helling vol eiken. Geen huis, geen weg. Alleen het water en ergens hoog een specht.
'Jezus,' zei ik.
'Mooi, hè?' Sem zette zijn fiets tegen een boom en trok zonder iets te zeggen zijn shirt over zijn hoofd. Zijn armen waren bruin tot precies waar zijn mouwtjes ophielden; daarboven was hij bleek, met die scherpe lijn die iedere wielrenner heeft. Hij schopte zijn schoenen uit, stroopte zijn koersbroek af en stond daar in zijn onderbroek, en toen ook zonder, en liep het water in alsof het niks was.
Hij gilde toen het water tot zijn middel kwam. Ik moest lachen, en dat lachen maakte iets in me los, en ik kleedde me uit en liep hem achterna.
Het water was ijskoud en heerlijk. We zwommen even en klommen daarna druipend op de grootste rots. We lagen naast elkaar op onze rug in de zon. Ik had mijn ogen dicht. Ik voelde de warmte van de steen onder me en de warmte van de zon op me en, op een paar centimeter afstand, de warmte van hem.
'Lucas,' zei hij.
'Hm.'
'Gisternacht.'
Ik deed mijn ogen open. Hij lag op zijn zij, op zijn elleboog, en keek me aan. Er liep een druppel water van zijn haar langs zijn slaap.
'Ik heb niet geslapen,' zei hij.
'Ik weet het.'
'Ik heb de hele nacht liggen denken of ik mijn voet moest weghalen.' Hij keek even weg, naar het water, en weer terug. 'En toen dacht ik: als hij hem niet weghaalt, dan...'
'Dan wat?'
Hij antwoordde niet. Hij boog zich naar me toe, heel langzaam, alsof hij me alle tijd wilde geven om me af te wenden, en toen ik dat niet deed, kuste hij me.
Hij smaakte naar rivierwater en naar de reep die hij een uur eerder had gegeten. Zijn lippen waren koud en zijn mond was warm, en ik hoorde mezelf een geluid maken dat ik niet van plan was geweest. Ik legde mijn hand in zijn nek. Hij kwam dichterbij, half over me heen, en ik voelde zijn hele lengte tegen mijn zij, nat en koel en dan ineens helemaal niet meer koel.
'Twee jaar,' zei ik tegen zijn mond.
Hij trok zich een paar centimeter terug. 'Wat?'
'Twee jaar in jouw wiel, zonder één keer naar je kont te kijken.'
Hij begon te lachen, met zijn voorhoofd tegen het mijne. 'Dat is gelogen.'
'Dat is helemaal gelogen.'
'Ik wist het,' zei hij. 'Ik wist het en ik durfde niet. Ik dacht: als ik het verkeerd heb, moet ik een nieuwe club zoeken.'
'En Iris?'
'Iris wist het eerder dan ik.' Hij haalde zijn schouders op, een klein, eerlijk gebaar. 'Daarom is het uit. Niet alleen daarom. Maar ook.'
Ik kuste hem opnieuw, en deze keer was er geen voorzichtigheid meer. De rots was te hard en te heet, en na een minuut trok Sem me overeind en mee, het gras op, achter een rij vlierstruiken waar de grond zacht was en de schaduw gespikkeld. Hij spreidde zijn handdoek uit. Natuurlijk had hij een handdoek bij zich; Sem had altijd alles bij zich.
Ik had me dit vaak voorgesteld, in de stille uren na een zondagsrit. Ik had me nooit voorgesteld dat het zo zou zijn: buiten, midden op een dinsdagmiddag, met een specht boven ons en het geruis van de rivier, met zijn huid die naar zon en zweet en water rook. Onze handen dwaalden, alsof we na twee jaar kijken eerst alles moesten nagaan wat we gezien hadden. De harde rand van zijn heupbeen. Het donkere spoor haar onder zijn navel.
Hij was hard. Ik ook, al sinds de rots, en toen ik mijn hand om hem heen sloot, kneep hij zijn ogen dicht en zei mijn naam op een manier die ik nooit meer zal vergeten.
'Langzaam,' fluisterde hij. 'Ik wil dat dit even duurt.'
Ik bewoog langzaam. Hij lag op zijn rug met één arm boven zijn hoofd, zijn mond half open, en keek naar me met een blik waarin iets verbaasds zat, alsof hij niet kon geloven dat dit zijn eigen middag was. Toen draaide hij zich naar me toe, duwde me zachtjes op mijn rug en schoof naar beneden.
Zijn mond was warm na al dat koude water. Hij nam me in zich op met een soort eerbiedige grondigheid die zo typisch Sem was, dezelfde aandacht waarmee hij zijn ketting smeerde of een route uitstippelde, en ik moest mijn hand in het gras klauwen om niet meteen te komen. Ik keek omhoog, naar het licht door de vlierbladeren, en voelde zijn tong, zijn lippen, zijn hand die mijn dij omklemde.
'Kom hier,' zei ik schor. 'Kom hier, ik wil jou ook.'
Hij kwam omhoog en ik draaide ons om, zodat ik over hem heen lag, en ging op mijn beurt naar beneden. Hij smaakte naar zout en naar de rivier. Ik nam de tijd. Ik wilde alles weten: welk geluid hij maakte als ik mijn tong langs de onderkant liet glijden, hoe zijn buik aanspande als ik hem diep nam, hoe zijn vingers zich in mijn haar vlochten en niet duwden, alleen vasthielden. Hij praatte, half verstaanbaar, flarden van zinnen, mijn naam, vloeken, iets wat klonk als 'eindelijk'.
Uiteindelijk trok hij me omhoog, tegen zich aan, en lagen we op onze zij, borst tegen borst, met zijn been tussen de mijne. Hij spuugde in zijn hand, nam ons allebei tegelijk vast en bewoog. Ik legde mijn hand over de zijne. Zo vonden we een ritme, samen, zoals we dat op de fiets ook altijd vonden zonder erover te praten: hij die versnelde, ik die volgde, hij die even inhield zodat ik bij kon blijven.
'Ik ga,' zei hij tegen mijn hals. 'Lucas, ik ga...'
'Ik ook.'
Hij kwam eerst, met een schok die door zijn hele lijf liep, zijn tanden in mijn schouder, en ik volgde een paar seconden later, warm tussen ons in, met mijn gezicht in zijn natte haar en de zon in mijn ogen. Het duurde lang. Het voelde alsof er twee jaar uit me wegstroomde.
Daarna lagen we stil, mijn hart bonzend tegen het zijne.
En toen hoorden we stemmen.
Ze kwamen van de rivier. Sem schoot overeind op zijn ellebogen. Door de vlierstruiken zagen we drie kano's de bocht om komen, felgeel, met een gezin erin dat luidkeels een Vlaams liedje zong. Een jongetje in een te groot zwemvest wees naar onze fietsen tegen de boom.
We doken plat op de handdoek. Sem drukte zijn gezicht in mijn borst en schudde van ingehouden lachen. De kano's dreven langs, het lied stierf weg achter de volgende bocht, en pas toen het helemaal stil was, rolden we van elkaar af en lagen we op onze rug te hikken van het lachen, plakkerig en naakt en volkomen belachelijk.
'Nou,' zei Sem, toen hij weer kon praten. 'Dat was dan ons eerste publiek.'
'Ons eerste,' herhaalde ik.
Hij keek opzij. 'Ja,' zei hij. 'Ons eerste. Ik ga ervan uit dat er meer komen. Kano's, bedoel ik.'
'Natuurlijk bedoel je kano's.'
We spoelden ons af in de rivier, die nog net zo ijskoud was, en kleedden ons aan op de warme rots. Halverwege het pad omhoog bleef Sem staan, draaide zich om en kuste me nog een keer, met het stuur in mijn ribben.
Het was al na zessen toen we de laatste twintig kilometer naar La Roche reden. De zon hing laag boven de heuvels en kleurde de rivier koperrood. Op de vlakke stukken reden we naast elkaar, op een weg waar geen auto kwam. Op de laatste klim, een venijnig stuk van acht procent vlak voor het dorp, zakte ik in. Sem liet zich terugvallen tot hij naast me reed en legde zonder iets te zeggen zijn hand plat op mijn onderrug. Hij duwde niet echt. Hij liet hem gewoon liggen, warm door mijn shirt heen, tot we boven waren.
'Dat doe je bij Gert nooit,' zei ik, hijgend.
'Gert heb ik ook nooit gezien zoals ik jou vanmiddag zag,' zei Sem.
Vanaf de top zagen we het dorp liggen, de kasteelruïne op de rots, de lichtjes die al aangingen langs de kade. We bleven even staan, onze fietsen tussen onze benen, en keken. Hij zocht mijn hand en vond hem.
'Morgen rijden we terug naar Luik,' zei ik.
Hij was even stil. 'Of niet,' zei hij toen.
'Of niet?'
'Ik heb nog vier vrije dagen. Jij ook, als ik me niet vergis.' Hij kneep in mijn vingers. 'Er is een lus naar het zuiden, langs de Semois. Veel bochten in de rivier. Heel weinig mensen.'
'En een gîte met maar één bed?'
'Die bel ik vanavond,' zei Sem, en hij grijnsde naar me in het laatste licht. 'Ik vraag gewoon of ze toevallig nog een kamer met één bed hebben. Voor de zekerheid.'
We reden de helling af, het dorp in, en voor het eerst in twee jaar reed ik niet in zijn wiel, maar ernaast.
