Het model van donderdagavond
Het begon met een advertentie op het prikbord van de bibliotheek. "Model gezocht voor tekenles naakt model, donderdagavond, 19.30–21.30, vergoeding 40 euro per avond. Ervaring niet nodig." Eronder een telefoonnummer en een naam: Matthias.
Ik heb er een week lang langs gelopen voordat ik een foto van het briefje maakte. Ik was zevenendertig, net gescheiden, en had het gevoel dat ik mijn eigen lichaam al jaren niet meer echt had bekeken. Het was altijd iets geweest dat moest functioneren: werken, sporten, een kind dragen, een huis verhuizen. Nooit iets om naar te kijken. Misschien was dat precies de reden dat ik belde.
Matthias bleek een rustige man van rond de vijfenveertig, met grijze strepen in zijn donkere baard en verfvlekken op zijn handen die er nooit helemaal af leken te gaan. Hij gaf de lessen in een oude schoolklas boven een buurthuis. Twaalf ezels in een halve cirkel, een podium van pallets met een deken eroverheen, een kachel die tikte als hij warm werd.
"Je bepaalt zelf wat je doet," zei hij bij het eerste gesprek. "Als je een pauze wilt, neem je een pauze. Als iemand iets zegt wat je niet bevalt, zeg je het tegen mij en dan ligt die persoon eruit. Het gaat om tekenen. Om licht en lijn. Niet om iets anders."
Ik geloofde hem. Misschien kwam het door de manier waarop hij keek: niet naar mij, maar naar de ruimte om me heen, alsof hij al aan het schatten was hoe het licht zou vallen.
De eerste avond was afschuwelijk en geweldig tegelijk. Ik stond achter een kamerscherm met mijn badjas strak om me heen en dacht er serieus over om weg te rennen. Toen ik eruit stapte en de badjas liet vallen, werd het muisstil in het lokaal. Maar het was geen stilte van staren. Het was een stilte van potloden die over papier begonnen te krassen. Twaalf mensen, jong en oud, die alleen maar keken om te kunnen tekenen.
Na tien minuten vergat ik dat ik naakt was. Na een uur voelde ik me lichter dan ik me in jaren had gevoeld.
Ik bleef komen. Elke donderdag. Matthias liep tussen de ezels door, gaf zachte aanwijzingen, wees soms naar mijn schouder of de lijn van mijn heup en zei iets als: "Kijk hoe het gewicht hier rust. Zie je dat?" Ik hoorde hem praten over mijn lichaam alsof het een landschap was, en langzaam begon ik er zelf ook zo naar te kijken.
Na de les ruimde ik samen met hem de stoelen op. De cursisten vertrokken, de kachel tikte af, en wij dronken thee uit verkleurde mokken op de vensterbank. We praatten over van alles: zijn jaren op de kunstacademie in Antwerpen, mijn werk bij de gemeente, mijn dochter die bij haar vader was in de oneven weken. Hij luisterde op dezelfde manier als hij tekende, met volle aandacht, zonder haast.
Op een avond in november, de zesde of zevende keer, bleef ik na de thee nog staan.
"Mag ik iets zien?" vroeg ik. "Jouw tekeningen. Van mij."
Hij aarzelde. "Ik teken niet tijdens de les. Ik loop rond."
"Maar thuis?"
Hij keek me lang aan. Toen pakte hij een map uit zijn tas en legde die op tafel. Er zaten tientallen schetsen in, snel en los, in houtskool en rood krijt. Ik op mijn zij, ik met mijn armen boven mijn hoofd, ik zittend op de kruk met mijn rug naar het raam. Ik herkende mezelf en tegelijk ook niet. De vrouw op het papier was zacht en sterk tegelijk, en ze leek zich nergens voor te schamen.
"Zie je mij zo?" vroeg ik zacht.
"Zo zie ik je," zei hij. "Ja."
Ik draaide me naar hem om. Hij stond dichterbij dan ik had gedacht. Ik rook terpentijn en koude buitenlucht aan zijn trui.
"Matthias," zei ik. "Ik wil je iets vragen, en je mag nee zeggen."
"Dat weet ik."
"Wil je me tekenen. Nu. Alleen jij."
Het bleef even stil. Toen knikte hij langzaam. "Als je dat wilt."
Ik liep naar het kamerscherm, maar halverwege bleef ik staan en draaide me om. Ik trok mijn trui over mijn hoofd, daar, midden in het lokaal, in het volle licht. Ik zag zijn adem stokken. Ik maakte mijn spijkerbroek los, liet hem op de grond vallen, en daarna de rest. Ik kroop niet weg achter een scherm en een badjas. Ik stond daar gewoon, in mijn eigen huid.
Hij pakte een vel papier en een stuk houtskool en ging op een kruk zitten. Ik nam plaats op het podium, deze keer met mijn knieën opgetrokken en mijn armen eromheen, mijn hoofd een beetje schuin. Hij begon te tekenen. Maar anders dan anders keek hij niet alleen naar de lijnen. Hij keek naar mij. Naar mijn ogen. En ik keek terug.
Na een kwartier legde hij de houtskool neer. Zijn vingers waren zwart.
"Ik kan me niet concentreren," zei hij met een schorre lach.
"Waarom niet?"
"Omdat ik al weken niet meer alleen naar het licht kijk, Iris."
Ik stond op van het podium en liep naar hem toe. Ik pakte zijn hand, de hand met het zwarte stof, en legde die tegen mijn heup. Er bleef een vegje houtskool achter op mijn huid.
"Teken dan maar zo," zei ik.
Hij stond op. Zijn andere hand gleed naar mijn middel, langzaam, alsof hij de lijn wilde volgen die hij al zo vaak op papier had gezet. Hij liet een spoor van grijs achter over mijn ribben, langs de onderkant van mijn borst. Ik huiverde. Toen boog hij voorover en kuste me, en ik kuste hem terug met een honger die me zelf verraste.
We kusten elkaar daar, tussen de ezels, terwijl de kachel tikte. Ik trok zijn trui uit, toen zijn shirt. Hij was slanker dan ik had gedacht, met een beetje grijs haar op zijn borst. Ik liet mijn handen over hem heen glijden en voelde zijn hart razen. Hij legde de deken van het podium op de vloer en we zakten erop neer.
"Weet je het zeker?" vroeg hij, boven me, met zijn hand naast mijn hoofd.
"Ik heb nog nooit iets zo zeker geweten."
Hij kuste me opnieuw, en daarna mijn hals, mijn schouders, mijn borsten. Zijn mond was warm, zijn baard kriebelde. Elke plek die hij aanraakte, kreeg een vlekje houtskool, tot ik eruitzag als een van zijn schetsen: half af, half uitgeveegd. Hij kuste over mijn buik naar beneden, en toen hij mijn dijen uit elkaar duwde en zijn mond tussen mijn benen legde, greep ik de rand van de deken vast en moest ik op mijn lip bijten om niet te hard te kreunen. Hij nam de tijd. Zijn tong bewoog traag, aandachtig, net als zijn potlood, tot ik zo hard trilde dat ik zijn naam moest zeggen om niet uit elkaar te vallen. Ik kwam met mijn hand in zijn haar en mijn rug van de vloer.
Hij kwam weer naar boven en keek naar me met een blik die ik nooit zal vergeten. Alsof hij iets zag wat ik zelf nog maar net had ontdekt.
Ik maakte zijn broek los en trok hem naar me toe. Hij had een condoom in zijn portemonnee, "al sinds de zomer, voor het geval dat," zei hij beschaamd, en ik lachte zo hard dat ik even niet kon ademen. Toen hij in me gleed, hield ik op met lachen. Hij was langzaam, voorzichtig eerst, maar ik sloeg mijn benen om hem heen en trok hem dieper.
"Je hoeft niet voorzichtig te zijn," fluisterde ik. "Ik ben niet van porselein."
"Nee," zei hij. "Je bent van houtskool."
We bewogen samen op die oude deken, in een lokaal dat rook naar verf en stof, onder het licht van een tl-buis die zachtjes zoemde. Ik voelde elke stoot tot in mijn tenen. Hij keek me aan terwijl hij in me bewoog, en ik keek terug, en ik besefte dat ik me nog nooit zo gezien had gevoeld. Toen ik voor de tweede keer kwam, harder dan de eerste keer, trok ik hem met me mee. Hij kreunde in mijn hals, zijn heupen schokkend, zijn handen vastgeklemd om de mijne.
Daarna lagen we lang stil op de vloer. Ik op mijn zij, hij achter me, zijn arm om mijn middel. Ons lichaam was bedekt met grijze vegen, de deken ook.
"De cursisten gaan zich afvragen waarom deze deken zo vies is," zei ik.
"Ik zeg wel dat ik geëxperimenteerd heb met een nieuwe techniek."
Ik lachte en draaide me naar hem om. "En nu?"
"Nu," zei hij, en hij streek een pluk haar uit mijn gezicht, "wil ik je mee uit eten nemen. Ergens met tafelkleden. Zonder ezels."
"En de lessen?"
Hij dacht even na. "Daar moet ik eerlijk in zijn. Ik kan geen les geven over een model dat ik… nou ja. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover de groep. Of tegenover jou."
"Dus ik ben ontslagen," zei ik plagend.
"Je bent gepromoveerd," zei hij. "Tot iemand die ik alleen nog voor mezelf teken."
We zijn een week later uit eten gegaan, in een klein Italiaans restaurant met rood-wit geblokte tafelkleden. Hij vond een nieuw model voor de donderdagavond, een gepensioneerde danser met een prachtig gerimpeld lichaam. Ik kom soms nog langs om thee te drinken na de les, op de vensterbank, met een verkleurde mok in mijn handen.
Thuis, in mijn slaapkamer, hangt nu een tekening in een eenvoudige houten lijst. Een vrouw met haar knieën opgetrokken, haar hoofd een beetje schuin, haar blik recht naar de kijker. In de hoek staat in kleine letters: "Iris, november." Elke ochtend als ik me aankleed, kijk ik ernaar. En elke ochtend herken ik haar een beetje beter.
Ik heb er een week lang langs gelopen voordat ik een foto van het briefje maakte. Ik was zevenendertig, net gescheiden, en had het gevoel dat ik mijn eigen lichaam al jaren niet meer echt had bekeken. Het was altijd iets geweest dat moest functioneren: werken, sporten, een kind dragen, een huis verhuizen. Nooit iets om naar te kijken. Misschien was dat precies de reden dat ik belde.
Matthias bleek een rustige man van rond de vijfenveertig, met grijze strepen in zijn donkere baard en verfvlekken op zijn handen die er nooit helemaal af leken te gaan. Hij gaf de lessen in een oude schoolklas boven een buurthuis. Twaalf ezels in een halve cirkel, een podium van pallets met een deken eroverheen, een kachel die tikte als hij warm werd.
"Je bepaalt zelf wat je doet," zei hij bij het eerste gesprek. "Als je een pauze wilt, neem je een pauze. Als iemand iets zegt wat je niet bevalt, zeg je het tegen mij en dan ligt die persoon eruit. Het gaat om tekenen. Om licht en lijn. Niet om iets anders."
Ik geloofde hem. Misschien kwam het door de manier waarop hij keek: niet naar mij, maar naar de ruimte om me heen, alsof hij al aan het schatten was hoe het licht zou vallen.
De eerste avond was afschuwelijk en geweldig tegelijk. Ik stond achter een kamerscherm met mijn badjas strak om me heen en dacht er serieus over om weg te rennen. Toen ik eruit stapte en de badjas liet vallen, werd het muisstil in het lokaal. Maar het was geen stilte van staren. Het was een stilte van potloden die over papier begonnen te krassen. Twaalf mensen, jong en oud, die alleen maar keken om te kunnen tekenen.
Na tien minuten vergat ik dat ik naakt was. Na een uur voelde ik me lichter dan ik me in jaren had gevoeld.
Ik bleef komen. Elke donderdag. Matthias liep tussen de ezels door, gaf zachte aanwijzingen, wees soms naar mijn schouder of de lijn van mijn heup en zei iets als: "Kijk hoe het gewicht hier rust. Zie je dat?" Ik hoorde hem praten over mijn lichaam alsof het een landschap was, en langzaam begon ik er zelf ook zo naar te kijken.
Na de les ruimde ik samen met hem de stoelen op. De cursisten vertrokken, de kachel tikte af, en wij dronken thee uit verkleurde mokken op de vensterbank. We praatten over van alles: zijn jaren op de kunstacademie in Antwerpen, mijn werk bij de gemeente, mijn dochter die bij haar vader was in de oneven weken. Hij luisterde op dezelfde manier als hij tekende, met volle aandacht, zonder haast.
Op een avond in november, de zesde of zevende keer, bleef ik na de thee nog staan.
"Mag ik iets zien?" vroeg ik. "Jouw tekeningen. Van mij."
Hij aarzelde. "Ik teken niet tijdens de les. Ik loop rond."
"Maar thuis?"
Hij keek me lang aan. Toen pakte hij een map uit zijn tas en legde die op tafel. Er zaten tientallen schetsen in, snel en los, in houtskool en rood krijt. Ik op mijn zij, ik met mijn armen boven mijn hoofd, ik zittend op de kruk met mijn rug naar het raam. Ik herkende mezelf en tegelijk ook niet. De vrouw op het papier was zacht en sterk tegelijk, en ze leek zich nergens voor te schamen.
"Zie je mij zo?" vroeg ik zacht.
"Zo zie ik je," zei hij. "Ja."
Ik draaide me naar hem om. Hij stond dichterbij dan ik had gedacht. Ik rook terpentijn en koude buitenlucht aan zijn trui.
"Matthias," zei ik. "Ik wil je iets vragen, en je mag nee zeggen."
"Dat weet ik."
"Wil je me tekenen. Nu. Alleen jij."
Het bleef even stil. Toen knikte hij langzaam. "Als je dat wilt."
Ik liep naar het kamerscherm, maar halverwege bleef ik staan en draaide me om. Ik trok mijn trui over mijn hoofd, daar, midden in het lokaal, in het volle licht. Ik zag zijn adem stokken. Ik maakte mijn spijkerbroek los, liet hem op de grond vallen, en daarna de rest. Ik kroop niet weg achter een scherm en een badjas. Ik stond daar gewoon, in mijn eigen huid.
Hij pakte een vel papier en een stuk houtskool en ging op een kruk zitten. Ik nam plaats op het podium, deze keer met mijn knieën opgetrokken en mijn armen eromheen, mijn hoofd een beetje schuin. Hij begon te tekenen. Maar anders dan anders keek hij niet alleen naar de lijnen. Hij keek naar mij. Naar mijn ogen. En ik keek terug.
Na een kwartier legde hij de houtskool neer. Zijn vingers waren zwart.
"Ik kan me niet concentreren," zei hij met een schorre lach.
"Waarom niet?"
"Omdat ik al weken niet meer alleen naar het licht kijk, Iris."
Ik stond op van het podium en liep naar hem toe. Ik pakte zijn hand, de hand met het zwarte stof, en legde die tegen mijn heup. Er bleef een vegje houtskool achter op mijn huid.
"Teken dan maar zo," zei ik.
Hij stond op. Zijn andere hand gleed naar mijn middel, langzaam, alsof hij de lijn wilde volgen die hij al zo vaak op papier had gezet. Hij liet een spoor van grijs achter over mijn ribben, langs de onderkant van mijn borst. Ik huiverde. Toen boog hij voorover en kuste me, en ik kuste hem terug met een honger die me zelf verraste.
We kusten elkaar daar, tussen de ezels, terwijl de kachel tikte. Ik trok zijn trui uit, toen zijn shirt. Hij was slanker dan ik had gedacht, met een beetje grijs haar op zijn borst. Ik liet mijn handen over hem heen glijden en voelde zijn hart razen. Hij legde de deken van het podium op de vloer en we zakten erop neer.
"Weet je het zeker?" vroeg hij, boven me, met zijn hand naast mijn hoofd.
"Ik heb nog nooit iets zo zeker geweten."
Hij kuste me opnieuw, en daarna mijn hals, mijn schouders, mijn borsten. Zijn mond was warm, zijn baard kriebelde. Elke plek die hij aanraakte, kreeg een vlekje houtskool, tot ik eruitzag als een van zijn schetsen: half af, half uitgeveegd. Hij kuste over mijn buik naar beneden, en toen hij mijn dijen uit elkaar duwde en zijn mond tussen mijn benen legde, greep ik de rand van de deken vast en moest ik op mijn lip bijten om niet te hard te kreunen. Hij nam de tijd. Zijn tong bewoog traag, aandachtig, net als zijn potlood, tot ik zo hard trilde dat ik zijn naam moest zeggen om niet uit elkaar te vallen. Ik kwam met mijn hand in zijn haar en mijn rug van de vloer.
Hij kwam weer naar boven en keek naar me met een blik die ik nooit zal vergeten. Alsof hij iets zag wat ik zelf nog maar net had ontdekt.
Ik maakte zijn broek los en trok hem naar me toe. Hij had een condoom in zijn portemonnee, "al sinds de zomer, voor het geval dat," zei hij beschaamd, en ik lachte zo hard dat ik even niet kon ademen. Toen hij in me gleed, hield ik op met lachen. Hij was langzaam, voorzichtig eerst, maar ik sloeg mijn benen om hem heen en trok hem dieper.
"Je hoeft niet voorzichtig te zijn," fluisterde ik. "Ik ben niet van porselein."
"Nee," zei hij. "Je bent van houtskool."
We bewogen samen op die oude deken, in een lokaal dat rook naar verf en stof, onder het licht van een tl-buis die zachtjes zoemde. Ik voelde elke stoot tot in mijn tenen. Hij keek me aan terwijl hij in me bewoog, en ik keek terug, en ik besefte dat ik me nog nooit zo gezien had gevoeld. Toen ik voor de tweede keer kwam, harder dan de eerste keer, trok ik hem met me mee. Hij kreunde in mijn hals, zijn heupen schokkend, zijn handen vastgeklemd om de mijne.
Daarna lagen we lang stil op de vloer. Ik op mijn zij, hij achter me, zijn arm om mijn middel. Ons lichaam was bedekt met grijze vegen, de deken ook.
"De cursisten gaan zich afvragen waarom deze deken zo vies is," zei ik.
"Ik zeg wel dat ik geëxperimenteerd heb met een nieuwe techniek."
Ik lachte en draaide me naar hem om. "En nu?"
"Nu," zei hij, en hij streek een pluk haar uit mijn gezicht, "wil ik je mee uit eten nemen. Ergens met tafelkleden. Zonder ezels."
"En de lessen?"
Hij dacht even na. "Daar moet ik eerlijk in zijn. Ik kan geen les geven over een model dat ik… nou ja. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover de groep. Of tegenover jou."
"Dus ik ben ontslagen," zei ik plagend.
"Je bent gepromoveerd," zei hij. "Tot iemand die ik alleen nog voor mezelf teken."
We zijn een week later uit eten gegaan, in een klein Italiaans restaurant met rood-wit geblokte tafelkleden. Hij vond een nieuw model voor de donderdagavond, een gepensioneerde danser met een prachtig gerimpeld lichaam. Ik kom soms nog langs om thee te drinken na de les, op de vensterbank, met een verkleurde mok in mijn handen.
Thuis, in mijn slaapkamer, hangt nu een tekening in een eenvoudige houten lijst. Een vrouw met haar knieën opgetrokken, haar hoofd een beetje schuin, haar blik recht naar de kijker. In de hoek staat in kleine letters: "Iris, november." Elke ochtend als ik me aankleed, kijk ik ernaar. En elke ochtend herken ik haar een beetje beter.
