Tot de thee koud was
We bleven zo liggen. Hij gleed voorzichtig uit me, ruimde het condoom op, kwam terug met een warme washand — zo zorgzaam dat ik bijna weer moest huilen, van tederheid dit keer. Hij veegde me schoon, kuste mijn buik, ging naast me liggen en trok de deken over ons heen.
Mijn hoofd lag op zijn borst. Zijn hartslag was nog snel. De thee in de woonkamer was vast koud geworden. Ik glimlachte tegen zijn huid.
"Hebben we het een naam gegeven?" vroeg ik na een tijdje.
Hij streek door mijn haar. "Ik denk het wel. Of in ieder geval een begin van een naam."
"Welke?"
"Jij en ik. Zonder 'bijna'. Zonder 'alleen vrienden'." Hij kuste mijn kruin. "Als jij dat ook wilt."
Ik tilde mijn hoofd op. Keek hem aan in het gedempte licht. Zijn ogen waren zacht. Zijn mond nog rood van het kussen.
"Ik wil dat," zei ik. "Al een tijdje. Ik was alleen bang dat het te mooi zou zijn om waar te zijn."
"Het is waar," zei hij. "En het is mooi. En de thee is koud, en dat maakt me niets uit."
Ik lachte, rolde dichter tegen hem aan, en legde mijn been over het zijne. Buiten hield de regen eindelijk op. Ergens in de straat reed een fiets voorbij. In de kamer bleef alleen onze adem, en de trui die ergens op de grond lag, en het gevoel dat we eindelijk waren aangekomen waar we al maanden omheen hadden gedraaid.
"Blijf slapen," fluisterde hij.
"Dat was ik al van plan."
Hij deed het licht uit. Niet helemaal — het nachtlampje bleef op de laagste stand. Ik viel in slaap met zijn arm om mijn middel, zijn adem in mijn nek, en de zekerheid dat dit geen ongeluk was geweest. Dit was gekozen. Dit was zacht. En morgen zouden we nieuwe thee zetten, en misschien hardop zeggen wat we vanavond met onze lichamen al hadden beloofd.
Mijn hoofd lag op zijn borst. Zijn hartslag was nog snel. De thee in de woonkamer was vast koud geworden. Ik glimlachte tegen zijn huid.
"Hebben we het een naam gegeven?" vroeg ik na een tijdje.
Hij streek door mijn haar. "Ik denk het wel. Of in ieder geval een begin van een naam."
"Welke?"
"Jij en ik. Zonder 'bijna'. Zonder 'alleen vrienden'." Hij kuste mijn kruin. "Als jij dat ook wilt."
Ik tilde mijn hoofd op. Keek hem aan in het gedempte licht. Zijn ogen waren zacht. Zijn mond nog rood van het kussen.
"Ik wil dat," zei ik. "Al een tijdje. Ik was alleen bang dat het te mooi zou zijn om waar te zijn."
"Het is waar," zei hij. "En het is mooi. En de thee is koud, en dat maakt me niets uit."
Ik lachte, rolde dichter tegen hem aan, en legde mijn been over het zijne. Buiten hield de regen eindelijk op. Ergens in de straat reed een fiets voorbij. In de kamer bleef alleen onze adem, en de trui die ergens op de grond lag, en het gevoel dat we eindelijk waren aangekomen waar we al maanden omheen hadden gedraaid.
"Blijf slapen," fluisterde hij.
"Dat was ik al van plan."
Hij deed het licht uit. Niet helemaal — het nachtlampje bleef op de laagste stand. Ik viel in slaap met zijn arm om mijn middel, zijn adem in mijn nek, en de zekerheid dat dit geen ongeluk was geweest. Dit was gekozen. Dit was zacht. En morgen zouden we nieuwe thee zetten, en misschien hardop zeggen wat we vanavond met onze lichamen al hadden beloofd.
