Tussen de wilgen bij het water
Het pad langs het water was smal genoeg om schouder aan schouder te moeten lopen, en breed genoeg om te doen alsof we toevallig zo dicht bij elkaar bleven. De wilgen hingen laag over de oever, hun takken bijna in het stille zwart van het meer. Het was net na achten. De zon was weg, maar het licht bleef hangen in een grijze gloed die de wereld zacht maakte zonder hem te verbergen. Bram liep naast me met zijn handen in zijn jaszakken, en elke paar stappen raakte zijn elleboog de mijne.
"Nog ver?" vroeg ik, hoewel ik het pad kende. Ik kwam hier vaker, alleen, met een boek of met niets. Vandaag was hij mee. Dat was nieuw.
"Bij die bocht," zei hij. "Waar de bank niet staat."
Ik lachte. "Poëtisch."
"Praktisch," verbeterde hij, en keek me aan op een manier die mijn buik warm maakte. Bram was tweeëntwintig, een jaar ouder dan ik, met een stem die lager werd als hij serieus was en handen die altijd een beetje onrustig leken — alsof ze iets wilden vasthouden. We kenden elkaar van de sportschool, van gedeelde waterflessen en van gesprekken na de les die langer werden dan nodig was. Vorige week had hij gevraagd of ik wilde wandelen. Wandelen, had hij gezegd. Alsof dat het enige was. Alsof we allebei niet wisten dat wandelen een dekmantel kon zijn.
De bocht kwam. De wilgen stonden dichter op elkaar, een groene kamer zonder dak. Achter ons lag het pad leeg. Voor ons alleen water en riet en het zachte geluid van iets dat plonsde — een vogel, of een tak. Bram bleef staan. Ik ook.
"Hier," zei hij. Niet als vraag. Als voorstel.
Ik knikte. Mijn hartklopte in mijn keel. Buiten vrijen had ik wel eens over nagedacht, in abstracte, filmische beelden. Nu rook het naar natte aarde en wilgenblad, en mijn schoenen stonden op zachte grond die iets te veel geluid maakte. Bram deed een stap dichterbij. Zijn hand vond mijn wang. Zijn duim streek over mijn jukbeen.
"Als je stopt, stop ik," zei hij. "Altijd."
"Ik weet het," fluisterde ik. "Kus me."
Hij kuste me onder de wilgen alsof we tijd hadden. Zijn mond was warm tegen de koelte van de avond. Ik opende mijn lippen, liet zijn tong toe, greep in de stof van zijn jas. Hij rook naar wasmiddel en naar de buitenlucht. Mijn rug raakte een stam, ruw door mijn jas heen. Bram leunde tegen me, niet zwaar, maar aanwezig, en ik voelde hoe hard hij al was door zijn spijkerbroek — een druk tegen mijn onderbuik die me liet slikken.
Zijn handen gleden onder mijn jas, onder mijn trui, naar de warme huid van mijn middel. Ik rilde, niet van kou. "Oké?" vroeg hij tegen mijn mond.
"Meer dan oké. Doe mijn jas uit. Ik word het te warm."
Hij hielp me. De jas belandde op een dikke wortel, als een improvisatiemat. Ik trok zijn jas ook uit, liet hem naast de mijne vallen. Onder zijn shirt voelde ik zijn borstkas, de lichte rilling van kippenvel. Hij kuste mijn hals, de plek onder mijn oor, de lijn van mijn kaak. Zijn handen vonden de sluiting van mijn bh via de rug van mijn trui — handig, geoefend genoeg, of gewoon geluk. De cups lieten los. Zijn handen schoven naar voren, namen mijn borsten, knepen zacht terwijl zijn duimen over mijn tepels gleden.
Ik zuchtte hard genoeg om een eend op te schrikken ergens in het riet. We bevroren allebei, toen lachten we zacht, nerveus, opgelucht.
"Stil," fluisterde ik, maar ik lachte erbij.
"Jij begon," mompelde hij, en zoog aan mijn tepel door de stof van mijn trui heen. De natte warmte trok een streep verlangen recht naar beneden. Ik opende mijn benen een beetje, genoeg om zijn dij ertussen te laten. Hij wreef tegen me, langzaam, en ik voelde hoe nat ik al was in mijn slip — belachelijk snel, alsof mijn lichaam dit pad al weken had voorbereid.
Ik maakte zijn broek open. De rits klonk te luid in de stilte. Zijn lul kwam vrij in mijn hand, hard, warm, met een druppel vocht aan de top die ik met mijn duim uitsmeerde. Bram beet op zijn lip. "Sanne," hijgde hij. Mijn naam klonk anders buiten, kleiner tegen zoveel lucht.
Ik knielde. De grond was zacht en een beetje vochtig door mijn jeans heen. Ik nam hem in mijn mond, langzaam, tot ik hem dieper kon nemen zonder te kokhalzen. Bram steunde met één hand tegen de wilg, de andere in mijn haar — niet duwend, alleen aanwezig. Ik zoog, liet mijn tong over de onderkant glijden, gebruikte mijn hand bij de basis. Boven me hoorde ik zijn adem stokken, opnieuw beginnen. Een fietser ratelde ergens ver weg over een brug. We bevrozen weer. De geluiden verdwenen. Ik ging door.
Na een tijdje trok hij me omhoog, kuste me met een smaak van zichzelf op mijn mond. "Ik wil je," zei hij. "Hier. Als jij wilt."
"Ik wil," zei ik, en het klonk zekerder dan ik me voelde — niet over hem, maar over de wereld die kon langskomen. "Maar snel. En als er iemand komt—"
"Dan stoppen we. Jas aan. Onschuldige wandelaars." Hij glimlachte. "Ik heb een condoom. Binnenzak. Optimistisch wandelen."
"Goed zo."
We schoven mijn jeans en slip naar beneden tot aan mijn knieën — niet helemaal uit, te onhandig, te kwetsbaar. Genoeg. Bram rolde het condoom over zichzelf met handen die een beetje trilden van kou of van zenuwen of van beide. Hij tilde één van mijn benen op, haakte het om zijn heup, en positioneerde zich. De punt drukte tegen mijn natte opening. Ik knikte. Hij schoof in me, traag door de hoek en de houding, tot hij diep zat en ik mijn voorhoofd tegen zijn schouder drukte om niet te hard te kreunen.
Buiten vrijen voelde anders. Scherper. De lucht op mijn blote huid, de ruwe bast in mijn rug, het risico dat elke takbreuk een voetstap kon zijn. Bram bewoog, korte stoten die diep aankwamen. Zijn hand gleed tussen ons in, vond mijn clitoris, wreef in tijd met zijn heupen. Ik hield me vast aan zijn schouders. Mijn opgetilde been trilde. Een wilgentak streek over mijn haar alsof de boom me wilde waarschuwen of zegenen, ik wist niet wat.
"God, Sanne," hijgde hij. "Je voelt—"
"Niet praten," fluisterde ik. "Gewoon zo. Blijf zo."
Hij bleef. Het ritme werd hard genoeg om me tegen de stam te duwen, zacht genoeg om niet pijnlijk te zijn. Elke stoot vulde me. Elke terugtrek liet me leeg genoeg om meer te willen. Zijn vingers op mijn clitoris waren precies: niet te snel, niet te los. Ik voelde het orgasme aankomen als een golf vanaf mijn buik, groter dan ik buiten had verwacht — alsof de open lucht het nergens heen kon dempen.
Ik kwam met mijn gezicht in zijn shirt, met een geluid dat ik in de stof drukte. Mijn lichaam kneep om hem heen. Bram stootte nog een paar keer, onregelmatig, en kwam zelf met een lage kreun die hij in mijn haar verborg. We bleven zo staan, verbonden, ademend, terwijl ergens een meerkoet over het water schreeuwde alsof hij het oneens was met ons ritme.
Toen trok hij voorzichtig terug. Ik liet mijn been zakken. Mijn knieën voelden onbetrouwbaar. We trokken onze kleren omhoog met de haast van mensen die net weer mens wilden lijken voor het geval dat. Het condoom verdween in een zakdoek, in zijn jaszak. Ik streek mijn trui glad. Bram haalde een blad uit mijn haar, hield het omhoog alsof het bewijs was, en stopte het in zijn broekzak.
"Souvenir?" vroeg ik.
"Bewijs dat het echt was," zei hij, en kuste me licht op mijn mondhoek.
We gingen op mijn jas zitten, met onze ruggen tegen een andere wilg, dichter bij het water. Mijn dij gegen zijn dij. Zijn arm om mijn schouder. De avond was koeler geworden, maar mijn huid gloeide nog. Tussen mijn benen zat de nawerking van hem, een warme, geheime gevoeligheid die ik meegenomen zou nemen naar huis.
"Dit was," begon ik, en zocht naar een woord dat niet te groot was.
"Anders," vulde hij in. "Goed anders."
"Ja. Goed anders." Ik leunde tegen hem. "Volgende keer misschien een dekentje. En een pad dat minder knoopt."
"Volgende keer," herhaalde hij, alsof hij het woord wilde proeven. "Ik hou van hoe dat klinkt."
Ik ook, dacht ik, maar zei het niet hardop. Niet hier. Niet terwijl de wilgen nog over ons hingen en mijn hart nog te hard klopte om nette zinnen te maken. In plaats daarvan pakte ik zijn hand, vlocht mijn vingers tussen de zijne, en keek naar het zwarte water waarin de laatste lichtstreep langzaam verdween.
Een paar minuten later stonden we op. Jassen aan. Schoenen schoongeveegd aan het gras. We liepen terug over het smalle pad, dit keer hand in hand zonder excuus. Bij de brug kwam er inderdaad een fietser langs — een man met een fietstas en een lamp die ons kort aanschoten. We groetten. Hij groette terug. Onschuldige wandelaars. Ik kneep in Brams hand tot de lamp voorbij was, en toen lieten we allebei een lach, zacht, opgelucht, alsof we een geheim deelden dat groter was dan seks alleen.
Thuis, onder de douche, spoelde ik de aarde van mijn knieën en de geur van wilgen uit mijn haar. In de spiegel zag ik een rode streep op mijn schouderblad, van de bast. Ik raakte hem aan met mijn vingertop en glimlachte ondanks mezelf. Op mijn telefoon stond al een bericht van Bram: *Blad ligt op mijn nachtkastje. Slaap lekker, Sanne.*
Ik typte terug: *Jij ook. En volgende keer neem ik het dekentje mee.*
Buiten werd het helemaal donker. Ergens tussen de wilgen bij het water bleef iets van ons hangen — geen bewijs dat iemand zou vinden, alleen de herinnering aan een stam, een jas op een wortel, en twee mensen die hard genoeg ademden om de eenden te laten schrikken. Ik ging slapen met die herinnering warm achter mijn ribben, en droomde van water dat zwart was en handen die wisten wanneer ze moesten stoppen.
"Nog ver?" vroeg ik, hoewel ik het pad kende. Ik kwam hier vaker, alleen, met een boek of met niets. Vandaag was hij mee. Dat was nieuw.
"Bij die bocht," zei hij. "Waar de bank niet staat."
Ik lachte. "Poëtisch."
"Praktisch," verbeterde hij, en keek me aan op een manier die mijn buik warm maakte. Bram was tweeëntwintig, een jaar ouder dan ik, met een stem die lager werd als hij serieus was en handen die altijd een beetje onrustig leken — alsof ze iets wilden vasthouden. We kenden elkaar van de sportschool, van gedeelde waterflessen en van gesprekken na de les die langer werden dan nodig was. Vorige week had hij gevraagd of ik wilde wandelen. Wandelen, had hij gezegd. Alsof dat het enige was. Alsof we allebei niet wisten dat wandelen een dekmantel kon zijn.
De bocht kwam. De wilgen stonden dichter op elkaar, een groene kamer zonder dak. Achter ons lag het pad leeg. Voor ons alleen water en riet en het zachte geluid van iets dat plonsde — een vogel, of een tak. Bram bleef staan. Ik ook.
"Hier," zei hij. Niet als vraag. Als voorstel.
Ik knikte. Mijn hartklopte in mijn keel. Buiten vrijen had ik wel eens over nagedacht, in abstracte, filmische beelden. Nu rook het naar natte aarde en wilgenblad, en mijn schoenen stonden op zachte grond die iets te veel geluid maakte. Bram deed een stap dichterbij. Zijn hand vond mijn wang. Zijn duim streek over mijn jukbeen.
"Als je stopt, stop ik," zei hij. "Altijd."
"Ik weet het," fluisterde ik. "Kus me."
Hij kuste me onder de wilgen alsof we tijd hadden. Zijn mond was warm tegen de koelte van de avond. Ik opende mijn lippen, liet zijn tong toe, greep in de stof van zijn jas. Hij rook naar wasmiddel en naar de buitenlucht. Mijn rug raakte een stam, ruw door mijn jas heen. Bram leunde tegen me, niet zwaar, maar aanwezig, en ik voelde hoe hard hij al was door zijn spijkerbroek — een druk tegen mijn onderbuik die me liet slikken.
Zijn handen gleden onder mijn jas, onder mijn trui, naar de warme huid van mijn middel. Ik rilde, niet van kou. "Oké?" vroeg hij tegen mijn mond.
"Meer dan oké. Doe mijn jas uit. Ik word het te warm."
Hij hielp me. De jas belandde op een dikke wortel, als een improvisatiemat. Ik trok zijn jas ook uit, liet hem naast de mijne vallen. Onder zijn shirt voelde ik zijn borstkas, de lichte rilling van kippenvel. Hij kuste mijn hals, de plek onder mijn oor, de lijn van mijn kaak. Zijn handen vonden de sluiting van mijn bh via de rug van mijn trui — handig, geoefend genoeg, of gewoon geluk. De cups lieten los. Zijn handen schoven naar voren, namen mijn borsten, knepen zacht terwijl zijn duimen over mijn tepels gleden.
Ik zuchtte hard genoeg om een eend op te schrikken ergens in het riet. We bevroren allebei, toen lachten we zacht, nerveus, opgelucht.
"Stil," fluisterde ik, maar ik lachte erbij.
"Jij begon," mompelde hij, en zoog aan mijn tepel door de stof van mijn trui heen. De natte warmte trok een streep verlangen recht naar beneden. Ik opende mijn benen een beetje, genoeg om zijn dij ertussen te laten. Hij wreef tegen me, langzaam, en ik voelde hoe nat ik al was in mijn slip — belachelijk snel, alsof mijn lichaam dit pad al weken had voorbereid.
Ik maakte zijn broek open. De rits klonk te luid in de stilte. Zijn lul kwam vrij in mijn hand, hard, warm, met een druppel vocht aan de top die ik met mijn duim uitsmeerde. Bram beet op zijn lip. "Sanne," hijgde hij. Mijn naam klonk anders buiten, kleiner tegen zoveel lucht.
Ik knielde. De grond was zacht en een beetje vochtig door mijn jeans heen. Ik nam hem in mijn mond, langzaam, tot ik hem dieper kon nemen zonder te kokhalzen. Bram steunde met één hand tegen de wilg, de andere in mijn haar — niet duwend, alleen aanwezig. Ik zoog, liet mijn tong over de onderkant glijden, gebruikte mijn hand bij de basis. Boven me hoorde ik zijn adem stokken, opnieuw beginnen. Een fietser ratelde ergens ver weg over een brug. We bevrozen weer. De geluiden verdwenen. Ik ging door.
Na een tijdje trok hij me omhoog, kuste me met een smaak van zichzelf op mijn mond. "Ik wil je," zei hij. "Hier. Als jij wilt."
"Ik wil," zei ik, en het klonk zekerder dan ik me voelde — niet over hem, maar over de wereld die kon langskomen. "Maar snel. En als er iemand komt—"
"Dan stoppen we. Jas aan. Onschuldige wandelaars." Hij glimlachte. "Ik heb een condoom. Binnenzak. Optimistisch wandelen."
"Goed zo."
We schoven mijn jeans en slip naar beneden tot aan mijn knieën — niet helemaal uit, te onhandig, te kwetsbaar. Genoeg. Bram rolde het condoom over zichzelf met handen die een beetje trilden van kou of van zenuwen of van beide. Hij tilde één van mijn benen op, haakte het om zijn heup, en positioneerde zich. De punt drukte tegen mijn natte opening. Ik knikte. Hij schoof in me, traag door de hoek en de houding, tot hij diep zat en ik mijn voorhoofd tegen zijn schouder drukte om niet te hard te kreunen.
Buiten vrijen voelde anders. Scherper. De lucht op mijn blote huid, de ruwe bast in mijn rug, het risico dat elke takbreuk een voetstap kon zijn. Bram bewoog, korte stoten die diep aankwamen. Zijn hand gleed tussen ons in, vond mijn clitoris, wreef in tijd met zijn heupen. Ik hield me vast aan zijn schouders. Mijn opgetilde been trilde. Een wilgentak streek over mijn haar alsof de boom me wilde waarschuwen of zegenen, ik wist niet wat.
"God, Sanne," hijgde hij. "Je voelt—"
"Niet praten," fluisterde ik. "Gewoon zo. Blijf zo."
Hij bleef. Het ritme werd hard genoeg om me tegen de stam te duwen, zacht genoeg om niet pijnlijk te zijn. Elke stoot vulde me. Elke terugtrek liet me leeg genoeg om meer te willen. Zijn vingers op mijn clitoris waren precies: niet te snel, niet te los. Ik voelde het orgasme aankomen als een golf vanaf mijn buik, groter dan ik buiten had verwacht — alsof de open lucht het nergens heen kon dempen.
Ik kwam met mijn gezicht in zijn shirt, met een geluid dat ik in de stof drukte. Mijn lichaam kneep om hem heen. Bram stootte nog een paar keer, onregelmatig, en kwam zelf met een lage kreun die hij in mijn haar verborg. We bleven zo staan, verbonden, ademend, terwijl ergens een meerkoet over het water schreeuwde alsof hij het oneens was met ons ritme.
Toen trok hij voorzichtig terug. Ik liet mijn been zakken. Mijn knieën voelden onbetrouwbaar. We trokken onze kleren omhoog met de haast van mensen die net weer mens wilden lijken voor het geval dat. Het condoom verdween in een zakdoek, in zijn jaszak. Ik streek mijn trui glad. Bram haalde een blad uit mijn haar, hield het omhoog alsof het bewijs was, en stopte het in zijn broekzak.
"Souvenir?" vroeg ik.
"Bewijs dat het echt was," zei hij, en kuste me licht op mijn mondhoek.
We gingen op mijn jas zitten, met onze ruggen tegen een andere wilg, dichter bij het water. Mijn dij gegen zijn dij. Zijn arm om mijn schouder. De avond was koeler geworden, maar mijn huid gloeide nog. Tussen mijn benen zat de nawerking van hem, een warme, geheime gevoeligheid die ik meegenomen zou nemen naar huis.
"Dit was," begon ik, en zocht naar een woord dat niet te groot was.
"Anders," vulde hij in. "Goed anders."
"Ja. Goed anders." Ik leunde tegen hem. "Volgende keer misschien een dekentje. En een pad dat minder knoopt."
"Volgende keer," herhaalde hij, alsof hij het woord wilde proeven. "Ik hou van hoe dat klinkt."
Ik ook, dacht ik, maar zei het niet hardop. Niet hier. Niet terwijl de wilgen nog over ons hingen en mijn hart nog te hard klopte om nette zinnen te maken. In plaats daarvan pakte ik zijn hand, vlocht mijn vingers tussen de zijne, en keek naar het zwarte water waarin de laatste lichtstreep langzaam verdween.
Een paar minuten later stonden we op. Jassen aan. Schoenen schoongeveegd aan het gras. We liepen terug over het smalle pad, dit keer hand in hand zonder excuus. Bij de brug kwam er inderdaad een fietser langs — een man met een fietstas en een lamp die ons kort aanschoten. We groetten. Hij groette terug. Onschuldige wandelaars. Ik kneep in Brams hand tot de lamp voorbij was, en toen lieten we allebei een lach, zacht, opgelucht, alsof we een geheim deelden dat groter was dan seks alleen.
Thuis, onder de douche, spoelde ik de aarde van mijn knieën en de geur van wilgen uit mijn haar. In de spiegel zag ik een rode streep op mijn schouderblad, van de bast. Ik raakte hem aan met mijn vingertop en glimlachte ondanks mezelf. Op mijn telefoon stond al een bericht van Bram: *Blad ligt op mijn nachtkastje. Slaap lekker, Sanne.*
Ik typte terug: *Jij ook. En volgende keer neem ik het dekentje mee.*
Buiten werd het helemaal donker. Ergens tussen de wilgen bij het water bleef iets van ons hangen — geen bewijs dat iemand zou vinden, alleen de herinnering aan een stam, een jas op een wortel, en twee mensen die hard genoeg ademden om de eenden te laten schrikken. Ik ging slapen met die herinnering warm achter mijn ribben, en droomde van water dat zwart was en handen die wisten wanneer ze moesten stoppen.
