Hotelkamer naast het station
De laatste trein was net vertrokken toen ik het perron opliep. Ik zag de rode lichten verdwijnen in de duisternis en bleef staan alsof ik ze nog kon terugroepen. Mijn telefoon zei half twaalf. De volgende trein was pas om half zes. Vijf uur wachten op een koud station in een stad die niet de mijne was.
Ik zuchtte, trok mijn jas dichter om me heen, en liep terug naar de stationshal. De meeste loketten waren dicht. Alleen het café in de hoek brandde nog, met een handvol mensen die eruitzagen alsof ze hetzelfde lot hadden getroffen: een vrouw met een koffer die te groot was voor haar, een student die op zijn laptop zat te typen alsof de nacht niet bestond, en een man in een donkere jas die net binnenkwam toen ik mijn bestelling deed.
Ik bestelde een koffie, ging aan een tafel bij het raam zitten, en staarde naar het lege spoor. De koffie smaakte naar verbrande bonen en plastic bekers. Buiten waaide het. Ergens piepte een schoonmaakwagen over de tegels.
Toen kwam hij naar mijn kant van het café.
Lang, donkere jas, tas over één schouder, het soort gezicht dat je niet meteen vergeet — scherpe kaaklijn, vermoeide ogen die toch helder keken. Hij bestelde ook koffie, keek rond, en zijn blik bleef even op mij hangen. Niet vijandig. Nieuwsgierig, misschien. Of herkenning: twee mannen die de trein hadden gemist en nu vastzaten in hetzelfde late uur.
“Laatste trein ook gemist?” vroeg hij toen hij voorbij mijn tafel liep.
“Ja. Perfecte timing,” zei ik droog.
Hij glimlachte. “Mind als ik ga zitten? De andere tafels zijn sticky of bezet door mensen die doen alsof dit een kantoor is.”
Ik schoof mijn tas opzij. “Ga je gang.”
Hij heette Sam. Twintig minuten later wist ik dat hij uit Utrecht kwam, dat hij een conferentie had gehad die uitliep, dat hij hekel had aan stationskoffie maar haar toch bleef drinken. Ik vertelde dat ik Daan heette, dat ik voor werk in de stad was geweest, dat ik eigenlijk allang thuis had moeten zijn bij mijn kat die waarschijnlijk al boos op het aanrecht zat. We lachten om niets bijzonders. De koffie was slecht. De nacht was lang. En ergens tussen het tweede kopje en het moment waarop de cafémedewerker begon met vegen, merkte ik dat ik naar zijn mond keek als hij praatte.
Hij merkte het ook. Want hij zweeg even, keek me aan, en zei: “Dit is ofwel het saaiste gesprek van mijn leven, ofwel iets anders.”
“Iets anders,” zei ik, voordat ik erover na kon denken.
Er viel een stilte die niet ongemakkelijk was. Buiten reed een taxi voorbij. In het café ging een lamp uit. Sam leunde achterover, zijn vingers om zijn beker.
“Er is een hotel aan de overkant,” zei hij rustig. “Niet chic. Maar beter dan vijf uur op deze stoelen. En warmer.”
“Alleen slapen?” vroeg ik, omdat ik het duidelijk wilde hebben. Geen misverstanden. Geen half-hints.
Hij keek me recht aan. “Dat mag jij beslissen. Maar ik hoop van niet. Jij?”
“Ik hoop van niet,” gaf ik toe, en voelde hoe mijn hart een slag oversloeg.
We betaalden, liepen door de koude nacht naar het hotel, en namen een kamer op de tweede verdieping. De receptionist vroeg niets, gaf ons een sleutelkaart, wenste ons een goede nacht alsof half één ’s nachts de normaalste check-in was die er bestond. De lift piepte. De gang rook naar schoonmaakmiddel. De kamer was klein: één bed, één raam met uitzicht op het station, een badkamer met een douche die te smal leek voor twee. Sam gooide zijn jas op de stoel, draaide zich om, en keek me aan alsof hij wilde checken of ik het nog steeds wilde.
Ik stapte naar hem toe en kuste hem.
Zijn mond was warm en zeker. Hij greep mijn nek, trok me dichterbij, en ik voelde hoe zijn lichaam tegen het mijne drukte — hard, gespannen, alsof hij de hele avond al had gewacht. We stonden midden in de kamer te zoenen tot mijn jas op de grond viel en zijn handen onder mijn shirt gleden. Zijn vingers waren koel van buiten. Op mijn huid voelden ze als elektriciteit. Ik trok zijn shirt omhoog, raakte zijn borstkas, voelde het haar onder mijn handpalm, en hij zuchtte tegen mijn mond alsof dat alleen al genoeg was.
“Douche eerst?” fluisterde hij.
“Samen?”
Hij knikte.
De douche was inderdaad te smal, maar dat maakte het alleen maar intiemer. Water over onze schouders, zeep over borstkassen en buiken, handen die niet meer deden alsof ze toevallig raakten. Ik pakte zijn lul vast onder de straal, voelde hem hard worden in mijn greep, en hij zuchtte tegen mijn nek terwijl hij mij hetzelfde deed. We bleven zo staan, elkaars handen om elkaar, kussend tussen het water door, tot het begon af te koelen en we lachend de douche uit stapten, half droog, half nat, helemaal hard.
Op het bed lag hij eerst onder mij. Ik kuste zijn keel, zijn borst, de lijn van haar die naar beneden liep. Toen ik hem in mijn mond nam, greep hij in mijn haar en fluisterde mijn naam alsof hij die al langer kende. Ik likte hem, zoog hem, liet hem diep in mijn keel glijden tot hij met zijn heupen omhoogdrukte en moest vragen of ik even stopte, anders was het te snel klaar.
“Goed,” zei ik, en kroop omhoog tot mijn gezicht boven het zijne hing. “Wat wil je?”
“Jou.” Hij raakte mijn wang aan met de rug van zijn hand. “Als jij dat ook wilt. Condomen zitten in mijn tas. Ik ben clean, getest vorige maand, maar toch. Veilig.”
“Ik ook. En ja. Ik wil jou.”
Hij rolde me om, ging tussen mijn benen liggen, en nam de tijd. Zijn mond op mijn lul was warm en vaardig; zijn vingers, nat van glijmiddel dat hij uit zijn tas had gehaald, vonden hun weg naar achteren met een geduld dat me deed snakken naar adem. Eén vinger. Twee. Hij keek me aan terwijl hij me openmaakte, checkte, vroeg zonder woorden of het goed ging. Ik knikte. Meer dan knikte. Ik trok hem dichterbij en kuste hem hard, proefde mezelf op zijn tong, voelde hoe hij dieper ging met zijn vingers tot ik kreunde tegen zijn mond.
Toen hij in me schoof, langzaam, centimeter voor centimeter, hield ik mijn adem in. De druk, de volheid, het moment waarop pijn overging in iets hards en goeds — ik greep zijn schouders en ademde uit tegen zijn mond. “Oké,” fluisterde ik. “Beweeg.”
Hij bewoog. Diep, ritmisch, met één hand onder mijn knie zodat hij dieper kon. Het bed kraakte. Buiten reed ergens een late trein voorbij die we allebei hadden gemist en die nu niet meer toe deed. Ik kwam eerst, met zijn hand om mijn lul en zijn lul diep in me, in golven die me deden trillen tot in mijn tenen. Hij volgde kort daarna, met een gebroken zucht tegen mijn nek, en bleef even liggen zonder eruit te gaan, alsof hij de verbinding nog wilde vasthouden.
Even later lag ik op mijn buik terwijl hij me van achteren nam, langzamer dit keer, met zijn mond tegen mijn schouderblad en zijn hand onder me om mijn lul vast te houden. Het was dieper, intenser, en ik kwam opnieuw met mijn gezicht in het kussen en zijn naam half gevormd in een kreun. Hij kwam in het condoom, bleef even in me hangen, en kuste de plek tussen mijn schouderbladen alsof hij sorry wilde zeggen dat de nacht ooit zou eindigen.
We ruimden op, half slapend, half lachend om hoe belachelijk klein de badkamer was en hoe luid de airco zoemde. Daarna lagen we naast elkaar in het donkere hotelkamerlicht, naakt onder een deken die te dun was. Zijn hand lag op mijn buik. Mijn hoofd lag tegen zijn schouder. Ik voelde zijn hartslag onder mijn oor. Buiten piepte ergens een schoonmaakwagen. In de kamer rook het naar zeep, zweet en de goedkope hotelshampoo die we allebei hadden gebruikt.
“Ik heb geen spijt van die trein,” zei hij zacht.
“Ik ook niet.”
Ergens tussen half drie en vier vielen we in slaap. Ik werd wakker toen het licht door de dunne gordijnen kwam. Sam sliep nog, met een arm over zijn gezicht, de ochtendzon op zijn schouder. Ik keek naar hem, naar de kamer, naar het station buiten waar de vroege treinen alweer reden. Voor even overwoog ik stil weg te glippen — makkelijk, schoon, geen vragen. Toen opende hij zijn ogen, glimlachte diezelfde half-luie glimlach van het café, en zei: “Blijf nog even. Er is koffie beneden. En ik wil weten of jij ook zo’n slechte ochtendmens bent als ik.”
Ik bleef.
We dronken slechte hotelkoffie in het bed, naakt onder de deken, met kruimels van een plastic verpakte croissant tussen ons in. We wisselden nummers uit zonder het zwaar te maken — geen beloftes, wel een duidelijke: “Bel me als je weer in Utrecht bent.” Op het perron, uren later dan gepland, kuste hij me nog één keer tussen de forenzen door — kort, zeker, alsof het geen geheim hoefde te zijn. Mijn trein vertrok. Zijn ook, de andere kant op. Maar toen ik in de coupéruit keek en het station zag verdwijnen, had ik geen spijt van de gemiste nacht. Sommige treinen mis je precies op tijd.
Ik zuchtte, trok mijn jas dichter om me heen, en liep terug naar de stationshal. De meeste loketten waren dicht. Alleen het café in de hoek brandde nog, met een handvol mensen die eruitzagen alsof ze hetzelfde lot hadden getroffen: een vrouw met een koffer die te groot was voor haar, een student die op zijn laptop zat te typen alsof de nacht niet bestond, en een man in een donkere jas die net binnenkwam toen ik mijn bestelling deed.
Ik bestelde een koffie, ging aan een tafel bij het raam zitten, en staarde naar het lege spoor. De koffie smaakte naar verbrande bonen en plastic bekers. Buiten waaide het. Ergens piepte een schoonmaakwagen over de tegels.
Toen kwam hij naar mijn kant van het café.
Lang, donkere jas, tas over één schouder, het soort gezicht dat je niet meteen vergeet — scherpe kaaklijn, vermoeide ogen die toch helder keken. Hij bestelde ook koffie, keek rond, en zijn blik bleef even op mij hangen. Niet vijandig. Nieuwsgierig, misschien. Of herkenning: twee mannen die de trein hadden gemist en nu vastzaten in hetzelfde late uur.
“Laatste trein ook gemist?” vroeg hij toen hij voorbij mijn tafel liep.
“Ja. Perfecte timing,” zei ik droog.
Hij glimlachte. “Mind als ik ga zitten? De andere tafels zijn sticky of bezet door mensen die doen alsof dit een kantoor is.”
Ik schoof mijn tas opzij. “Ga je gang.”
Hij heette Sam. Twintig minuten later wist ik dat hij uit Utrecht kwam, dat hij een conferentie had gehad die uitliep, dat hij hekel had aan stationskoffie maar haar toch bleef drinken. Ik vertelde dat ik Daan heette, dat ik voor werk in de stad was geweest, dat ik eigenlijk allang thuis had moeten zijn bij mijn kat die waarschijnlijk al boos op het aanrecht zat. We lachten om niets bijzonders. De koffie was slecht. De nacht was lang. En ergens tussen het tweede kopje en het moment waarop de cafémedewerker begon met vegen, merkte ik dat ik naar zijn mond keek als hij praatte.
Hij merkte het ook. Want hij zweeg even, keek me aan, en zei: “Dit is ofwel het saaiste gesprek van mijn leven, ofwel iets anders.”
“Iets anders,” zei ik, voordat ik erover na kon denken.
Er viel een stilte die niet ongemakkelijk was. Buiten reed een taxi voorbij. In het café ging een lamp uit. Sam leunde achterover, zijn vingers om zijn beker.
“Er is een hotel aan de overkant,” zei hij rustig. “Niet chic. Maar beter dan vijf uur op deze stoelen. En warmer.”
“Alleen slapen?” vroeg ik, omdat ik het duidelijk wilde hebben. Geen misverstanden. Geen half-hints.
Hij keek me recht aan. “Dat mag jij beslissen. Maar ik hoop van niet. Jij?”
“Ik hoop van niet,” gaf ik toe, en voelde hoe mijn hart een slag oversloeg.
We betaalden, liepen door de koude nacht naar het hotel, en namen een kamer op de tweede verdieping. De receptionist vroeg niets, gaf ons een sleutelkaart, wenste ons een goede nacht alsof half één ’s nachts de normaalste check-in was die er bestond. De lift piepte. De gang rook naar schoonmaakmiddel. De kamer was klein: één bed, één raam met uitzicht op het station, een badkamer met een douche die te smal leek voor twee. Sam gooide zijn jas op de stoel, draaide zich om, en keek me aan alsof hij wilde checken of ik het nog steeds wilde.
Ik stapte naar hem toe en kuste hem.
Zijn mond was warm en zeker. Hij greep mijn nek, trok me dichterbij, en ik voelde hoe zijn lichaam tegen het mijne drukte — hard, gespannen, alsof hij de hele avond al had gewacht. We stonden midden in de kamer te zoenen tot mijn jas op de grond viel en zijn handen onder mijn shirt gleden. Zijn vingers waren koel van buiten. Op mijn huid voelden ze als elektriciteit. Ik trok zijn shirt omhoog, raakte zijn borstkas, voelde het haar onder mijn handpalm, en hij zuchtte tegen mijn mond alsof dat alleen al genoeg was.
“Douche eerst?” fluisterde hij.
“Samen?”
Hij knikte.
De douche was inderdaad te smal, maar dat maakte het alleen maar intiemer. Water over onze schouders, zeep over borstkassen en buiken, handen die niet meer deden alsof ze toevallig raakten. Ik pakte zijn lul vast onder de straal, voelde hem hard worden in mijn greep, en hij zuchtte tegen mijn nek terwijl hij mij hetzelfde deed. We bleven zo staan, elkaars handen om elkaar, kussend tussen het water door, tot het begon af te koelen en we lachend de douche uit stapten, half droog, half nat, helemaal hard.
Op het bed lag hij eerst onder mij. Ik kuste zijn keel, zijn borst, de lijn van haar die naar beneden liep. Toen ik hem in mijn mond nam, greep hij in mijn haar en fluisterde mijn naam alsof hij die al langer kende. Ik likte hem, zoog hem, liet hem diep in mijn keel glijden tot hij met zijn heupen omhoogdrukte en moest vragen of ik even stopte, anders was het te snel klaar.
“Goed,” zei ik, en kroop omhoog tot mijn gezicht boven het zijne hing. “Wat wil je?”
“Jou.” Hij raakte mijn wang aan met de rug van zijn hand. “Als jij dat ook wilt. Condomen zitten in mijn tas. Ik ben clean, getest vorige maand, maar toch. Veilig.”
“Ik ook. En ja. Ik wil jou.”
Hij rolde me om, ging tussen mijn benen liggen, en nam de tijd. Zijn mond op mijn lul was warm en vaardig; zijn vingers, nat van glijmiddel dat hij uit zijn tas had gehaald, vonden hun weg naar achteren met een geduld dat me deed snakken naar adem. Eén vinger. Twee. Hij keek me aan terwijl hij me openmaakte, checkte, vroeg zonder woorden of het goed ging. Ik knikte. Meer dan knikte. Ik trok hem dichterbij en kuste hem hard, proefde mezelf op zijn tong, voelde hoe hij dieper ging met zijn vingers tot ik kreunde tegen zijn mond.
Toen hij in me schoof, langzaam, centimeter voor centimeter, hield ik mijn adem in. De druk, de volheid, het moment waarop pijn overging in iets hards en goeds — ik greep zijn schouders en ademde uit tegen zijn mond. “Oké,” fluisterde ik. “Beweeg.”
Hij bewoog. Diep, ritmisch, met één hand onder mijn knie zodat hij dieper kon. Het bed kraakte. Buiten reed ergens een late trein voorbij die we allebei hadden gemist en die nu niet meer toe deed. Ik kwam eerst, met zijn hand om mijn lul en zijn lul diep in me, in golven die me deden trillen tot in mijn tenen. Hij volgde kort daarna, met een gebroken zucht tegen mijn nek, en bleef even liggen zonder eruit te gaan, alsof hij de verbinding nog wilde vasthouden.
Even later lag ik op mijn buik terwijl hij me van achteren nam, langzamer dit keer, met zijn mond tegen mijn schouderblad en zijn hand onder me om mijn lul vast te houden. Het was dieper, intenser, en ik kwam opnieuw met mijn gezicht in het kussen en zijn naam half gevormd in een kreun. Hij kwam in het condoom, bleef even in me hangen, en kuste de plek tussen mijn schouderbladen alsof hij sorry wilde zeggen dat de nacht ooit zou eindigen.
We ruimden op, half slapend, half lachend om hoe belachelijk klein de badkamer was en hoe luid de airco zoemde. Daarna lagen we naast elkaar in het donkere hotelkamerlicht, naakt onder een deken die te dun was. Zijn hand lag op mijn buik. Mijn hoofd lag tegen zijn schouder. Ik voelde zijn hartslag onder mijn oor. Buiten piepte ergens een schoonmaakwagen. In de kamer rook het naar zeep, zweet en de goedkope hotelshampoo die we allebei hadden gebruikt.
“Ik heb geen spijt van die trein,” zei hij zacht.
“Ik ook niet.”
Ergens tussen half drie en vier vielen we in slaap. Ik werd wakker toen het licht door de dunne gordijnen kwam. Sam sliep nog, met een arm over zijn gezicht, de ochtendzon op zijn schouder. Ik keek naar hem, naar de kamer, naar het station buiten waar de vroege treinen alweer reden. Voor even overwoog ik stil weg te glippen — makkelijk, schoon, geen vragen. Toen opende hij zijn ogen, glimlachte diezelfde half-luie glimlach van het café, en zei: “Blijf nog even. Er is koffie beneden. En ik wil weten of jij ook zo’n slechte ochtendmens bent als ik.”
Ik bleef.
We dronken slechte hotelkoffie in het bed, naakt onder de deken, met kruimels van een plastic verpakte croissant tussen ons in. We wisselden nummers uit zonder het zwaar te maken — geen beloftes, wel een duidelijke: “Bel me als je weer in Utrecht bent.” Op het perron, uren later dan gepland, kuste hij me nog één keer tussen de forenzen door — kort, zeker, alsof het geen geheim hoefde te zijn. Mijn trein vertrok. Zijn ook, de andere kant op. Maar toen ik in de coupéruit keek en het station zag verdwijnen, had ik geen spijt van de gemiste nacht. Sommige treinen mis je precies op tijd.
