Haar atelier boven de bakkerij
Ik rook haar eerder dan ik haar zag: terpentijn, koffie, en iets zoets van de bakkerij beneden dat door de trap omhoog kroop. Het atelier van Mara lag op de tweede verdieping van een pand in de Jordaan, met ramen die te groot waren voor het budget en een vloer die onder de verfspatten vandaan nog iets van hout liet zien. Ik was eenendertig, schreef freelance over kunst voor een tijdschrift dat steeds minder betaalde en steeds meer "korte quotes" wilde, en had haar gevraagd of ik een portretreeks over vrouwelijke makers mocht doen. Zij was vijfendertig, schilder, en had ja gezegd met een mail van twee zinnen: Kom donderdag. Breng geen bloemen, breng vragen.
Ik bracht vragen. En een recorder. En, zonder het te plannen, een verlangen dat ik al bij de tweede trede voelde aanzwellen.
Mara deed open in een oversized overhemd dat van haar af gleed bij één schouder. Geen bh. Verf op haar pols in een blauwe veeg die op een rivier leek. Haar haar zat in een slordige knot met een potlood erdoor. Ze keek me aan alsof ze al wist dat dit interview niet alleen over doeken zou gaan, en glimlachte alsof ze dat niet erg vond.
"Elise," zei ze, alsof ze de naam al in haar mond had rondgedraaid. "Kom binnen. Koffie staat klaar. Of wijn, als je vragen stout genoeg zijn."
"Beginnen bij koffie," zei ik. "Wijn bewaren we voor als ik iets te persoonlijks vraag."
Ze lachte, een korte warme klank. "Dan wordt het wijn. Ga zitten. Pas op het krukje, die wiebelt."
We praatten twee uur terwijl beneden de bel van de bakkerij ging en stemmen opstegen alsof de wereld gewoon doorging. Over haar serie naakten die geen mannelijke blik dienden, alleen aanwezigheid. Over geld, en hoe galleries glimlachten terwijl ze "later" zeiden. Over hoe musea nog steeds deed alsof vrouwen een niche waren. Over haar ex, een vrouw die was vertrokken naar Berlijn met twee koffers en een belofte van bezoeken die nooit kwamen. Ik vroeg of ze model stond voor eigen werk. Ze zei soms, als ze zichzelf wilde herinneren zonder filter. Toen vroeg ze of ík ooit had geposeerd. Ik zei nee, en voelde mijn wangen warm worden op een manier die niets met schaamte te maken had en alles met interesse.
"Je hebt een gezicht dat blijft hangen," zei Mara gewoon, zonder opsmuk. "Niet als compliment-van-de-week. Als feit. Lijnen. Schaduw onder je jukbeen. Als je ooit wilt, zeg het. Geen verplichting. Geen camera. Alleen houtskool en tijd."
Ik slikte. Mijn recorder stond nog aan; ik zette hem uit. "En als ik ja zeg, is dat dan werk of... iets anders?"
Mara zette haar kop neer. Haar blik werd stiller, helderder. "Dat bepaal jij. Ik flirt niet per ongeluk. Als ik je vraag, is het omdat ik je aantrekkelijk vind. Als jij alleen een artikel wilt, krijg je een artikel en een handdruk. Als je meer wilt, praten we eerst over wat meer inhoudt. Grenzen. Tempo. Wat mag, wat niet."
Die zin deed iets met me. Duidelijkheid als voorspel. Ik was gewend aan halfzachte toespelingen op borrels, aan handen die "per ongeluk" bleven liggen. Dit was beter.
"Ik wil meer," zei ik. "Maar ik wil ook het artikel afmaken zonder dat mijn redactie ruikt dat ik verliefd word op mijn onderwerp. Volgorde: eerst afronden wat we beloofden. Daarna, als je wilt, poseren. En kijken waar het stopt."
"Goede volgorde," zei Mara. Ze stak haar hand uit over tafel. Ik schudde die. Haar huid was ruw van werk, warm van koffie. Ik wilde die hand later ergens anders, en die gedachte liet ik bewust toe.
Een week later leverde ik het stuk in. De redactie was blij; ze hadden zelfs het woord "krachtig" gebruikt, wat bij hen bijna een staande ovatie was. Ik mailde Mara: Artikel live morgen. Over poseren: ja. Zaterdagmiddag? Zeg het als je het anders wilt.
Haar antwoord kwam snel: Zaterdag. Twee uur. Water staat klaar. Wijn ook, voor erna — of ervoor, als je zenuwen wijn verdienen.
Zaterdag rook de bakkerij naar amandel en boter. Boven stond Mara met een groot vel papier op een ezel, houtskool klaar in een blik, en twee glazen water op een kruk. Het raam stond op een kier. Ergens speelde iemand piano, ver weg. "Kleed je uit tot je je comfortabel voelt," zei ze. "Onderbroek mag aan. Of uit. Jij zegt het. Als iets gek voelt, zeg je stop. Geen theater, geen safeword in het Frans. Gewoon Nederlands."
Ik lachte nerveus, deed mijn trui uit, mijn broek, aarzelde bij mijn bh, en deed die ook uit. De lucht koelde mijn huid. Onderbroek hield ik aan, donkerblauw, ordinary, opeens heel zichtbaar. Mara knikte alsof dat precies goed was. Ze zette me bij het raam, licht van links, één knie opgetrokken op een kussen, arm langs mijn zij, kin iets omhoog.
Tekenen bleek intiemer dan ik dacht. Niet omdat ze me aanraakte — dat deed ze de eerste veertig minuten niet — maar omdat ze keek. Echt keek. Lijnen van mijn clavicula, de schaduw onder mijn borst, de spanning in mijn dij, de manier waarop mijn adem mijn buik bewoog. Af en toe vroeg ze of ik nog goed zat. Af en toe floot ze zacht als een lijn lukte. Ik voelde mezelf nat worden van alleen die aandacht, en schaamde me daar een seconde voor tot ik besloot dat schaamte hier niks te zoeken had.
Na een uur legde ze het houtskool neer. Haar vingers waren zwart. "Pauze. Water. En een vraag: mag ik dichterbij komen? Niet om te tekenen."
"Ja," zei ik. "Alsjeblieft ja."
Ze waste haar handen snel, kwam voor me staan, nog steeds gekleed, en kuste me. Langzaam. Alsof ze een contour proefde. Ik greep haar overhemd vast bij de randen. Haar hand vond mijn middel, daarna mijn rug, daarna de rand van mijn onderbroek zonder eronder te gaan. Ik voelde haar glimlachen tegen mijn mond.
"Nog steeds ja?" vroeg ze.
"Nog steeds ja. Meer ja. Ik wil dat je me aanraakt zoals je keek."
"Dat kan," murmelde Mara. "Zeg het als ik te snel ga."
We verplaatsten naar de oude bank onder de schetsen die aan de muur hingen als toeschouwers. Mara trok haar overhemd open; ik schoof het van haar schouders. Haar borsten waren vol, tepels donker, een vlekje blauwe verf bij haar collarbone dat ik wegkuste tot mijn tong een vage chemische nasmaak had en we allebei lachten. Ze liet me niet haasten. Haar mond ging naar mijn hals, mijn borst, zoog zacht tot ik kreunde en mijn handen in haar knot verdwenen. Het potlood viel eruit op de grond. Haar hand gleed eindelijk onder de rand van mijn onderbroek.
"Nat al," murmelde ze, tevreden zonder gemeen te zijn. "Van het kijken, of van de kus?"
"Van jou. Van dit hele verdammde atelier. Van je vragen die geen vragen zijn."
Ze lachte, trok mijn onderbroek uit, en ging tussen mijn benen op de knieën op de bank. Een knie op de grond, een knie op de zitting, alsof ze een houding koos die ze lang vol kon houden. Haar tong vond me alsof ze ook daar een lijn zocht die klopte. Ik hield me vast aan de leuning, aan haar haar, aan wat ik kon grijpen. Ze likte langzaam, dan sneller, schoof twee vingers in me toen ik erom vroeg — "alsjeblieft, Mara" — en krulde ze precies genoeg. Ze bracht me tot een orgasme dat me de bakkerij beneden even deed vergeten. Ik kwam met haar naam in mijn mond en de geur van houtskool in mijn neus — een combinatie die ik nooit in een artikel zou kunnen zetten zonder ontslagen te worden.
Toen wilde ik haar. Ik duwde haar achterover, schoof haar broek en ondergoed omlaag, en gaf terug wat ik had gekregen. Mara smaakte naar huid en zeep en een vleugje zweet van het staan bij de ezel. Ze was directer in haar geluiden dan ik; ze zei wat ze wilde: "Rechts... zo... hardere druk... ja, Elise, blijf, niet lichter." Ik bleef. Ik leerde haar ritme zoals zij mijn lijnen had geleerd. Ze kwam met haar hand in mijn haar en haar andere hand over haar mond, alsof ze de buren spaarde en tegelijk niet echt wilde zwijgen. Daarna trok ik die hand weg en kuste haar, diep, zodat ze haar eigen kreun in mijn mond kon laten.
We lagen naakt onder een oude deken met een gat bij de zoom, benen verstrengeld, pratend over niks: over of amandelcroissants beter waren dan pistache, over een expositie in Gent waar ze misschien hing, over hoe gek het was dat een interview dit had gebaard. Mara streek over mijn arm, over de plek waar mijn horloge gewoonlijk zat.
"Ik wil je weer zien," zei ze. "Niet alleen om te tekenen. Ook wel om te tekenen — je schouder wil ik beter hebben. Maar vooral omdat ik je graag hoor lachen als je komt. En omdat je vragen stelt alsof antwoorden ertoe doen."
"Romantisch," plaagde ik, al voelde mijn borst warm.
"Eerlijk," corrigeerde ze. "Romantiek zonder eerlijkheid is decor. Ik hou van verf. Niet van decor."
Ik kuste haar schouder, precies op de plek waar de blauwe veeg was geweest. "Volgende week. Zelfde tijd. Ik breng wijn. En vragen die niks met kunst te maken hebben. Alleen met jou."
"Goed," zei Mara. "Dan houd ik het overhemd dichter bij de deur klaar. En extra houtskool. Voor als we toch weer belanden bij kijken voor we belanden bij aanraken."
Toen ik naar beneden liep, met trillende benen en een recorder in mijn tas die niks van dit alles had gehoord, kocht ik twee amandelcroissants. Eén at ik op straat, kruimels op mijn jas. De andere bewaarde ik voor later, toen ik thuis het portret in mijn hoofd opnieuw tekende: niet met houtskool, maar met herinnering. Het artikel stond online met nette citaten en een foto van Mara's werk, niet van haar mond. Wat er boven de bakkerij was gebeurd, bleef van ons — afgerond genoeg voor die middag, open genoeg voor de volgende. En toen ik inslaapte, dacht ik niet aan deadlines, maar aan blauwe verf op een collarbone, aan een vrouw die vroeg voordat ze nam, en aan een bank die kraakte alsof hij blij was eindelijk voor iets anders te dienen dan schetsen.
Ik bracht vragen. En een recorder. En, zonder het te plannen, een verlangen dat ik al bij de tweede trede voelde aanzwellen.
Mara deed open in een oversized overhemd dat van haar af gleed bij één schouder. Geen bh. Verf op haar pols in een blauwe veeg die op een rivier leek. Haar haar zat in een slordige knot met een potlood erdoor. Ze keek me aan alsof ze al wist dat dit interview niet alleen over doeken zou gaan, en glimlachte alsof ze dat niet erg vond.
"Elise," zei ze, alsof ze de naam al in haar mond had rondgedraaid. "Kom binnen. Koffie staat klaar. Of wijn, als je vragen stout genoeg zijn."
"Beginnen bij koffie," zei ik. "Wijn bewaren we voor als ik iets te persoonlijks vraag."
Ze lachte, een korte warme klank. "Dan wordt het wijn. Ga zitten. Pas op het krukje, die wiebelt."
We praatten twee uur terwijl beneden de bel van de bakkerij ging en stemmen opstegen alsof de wereld gewoon doorging. Over haar serie naakten die geen mannelijke blik dienden, alleen aanwezigheid. Over geld, en hoe galleries glimlachten terwijl ze "later" zeiden. Over hoe musea nog steeds deed alsof vrouwen een niche waren. Over haar ex, een vrouw die was vertrokken naar Berlijn met twee koffers en een belofte van bezoeken die nooit kwamen. Ik vroeg of ze model stond voor eigen werk. Ze zei soms, als ze zichzelf wilde herinneren zonder filter. Toen vroeg ze of ík ooit had geposeerd. Ik zei nee, en voelde mijn wangen warm worden op een manier die niets met schaamte te maken had en alles met interesse.
"Je hebt een gezicht dat blijft hangen," zei Mara gewoon, zonder opsmuk. "Niet als compliment-van-de-week. Als feit. Lijnen. Schaduw onder je jukbeen. Als je ooit wilt, zeg het. Geen verplichting. Geen camera. Alleen houtskool en tijd."
Ik slikte. Mijn recorder stond nog aan; ik zette hem uit. "En als ik ja zeg, is dat dan werk of... iets anders?"
Mara zette haar kop neer. Haar blik werd stiller, helderder. "Dat bepaal jij. Ik flirt niet per ongeluk. Als ik je vraag, is het omdat ik je aantrekkelijk vind. Als jij alleen een artikel wilt, krijg je een artikel en een handdruk. Als je meer wilt, praten we eerst over wat meer inhoudt. Grenzen. Tempo. Wat mag, wat niet."
Die zin deed iets met me. Duidelijkheid als voorspel. Ik was gewend aan halfzachte toespelingen op borrels, aan handen die "per ongeluk" bleven liggen. Dit was beter.
"Ik wil meer," zei ik. "Maar ik wil ook het artikel afmaken zonder dat mijn redactie ruikt dat ik verliefd word op mijn onderwerp. Volgorde: eerst afronden wat we beloofden. Daarna, als je wilt, poseren. En kijken waar het stopt."
"Goede volgorde," zei Mara. Ze stak haar hand uit over tafel. Ik schudde die. Haar huid was ruw van werk, warm van koffie. Ik wilde die hand later ergens anders, en die gedachte liet ik bewust toe.
Een week later leverde ik het stuk in. De redactie was blij; ze hadden zelfs het woord "krachtig" gebruikt, wat bij hen bijna een staande ovatie was. Ik mailde Mara: Artikel live morgen. Over poseren: ja. Zaterdagmiddag? Zeg het als je het anders wilt.
Haar antwoord kwam snel: Zaterdag. Twee uur. Water staat klaar. Wijn ook, voor erna — of ervoor, als je zenuwen wijn verdienen.
Zaterdag rook de bakkerij naar amandel en boter. Boven stond Mara met een groot vel papier op een ezel, houtskool klaar in een blik, en twee glazen water op een kruk. Het raam stond op een kier. Ergens speelde iemand piano, ver weg. "Kleed je uit tot je je comfortabel voelt," zei ze. "Onderbroek mag aan. Of uit. Jij zegt het. Als iets gek voelt, zeg je stop. Geen theater, geen safeword in het Frans. Gewoon Nederlands."
Ik lachte nerveus, deed mijn trui uit, mijn broek, aarzelde bij mijn bh, en deed die ook uit. De lucht koelde mijn huid. Onderbroek hield ik aan, donkerblauw, ordinary, opeens heel zichtbaar. Mara knikte alsof dat precies goed was. Ze zette me bij het raam, licht van links, één knie opgetrokken op een kussen, arm langs mijn zij, kin iets omhoog.
Tekenen bleek intiemer dan ik dacht. Niet omdat ze me aanraakte — dat deed ze de eerste veertig minuten niet — maar omdat ze keek. Echt keek. Lijnen van mijn clavicula, de schaduw onder mijn borst, de spanning in mijn dij, de manier waarop mijn adem mijn buik bewoog. Af en toe vroeg ze of ik nog goed zat. Af en toe floot ze zacht als een lijn lukte. Ik voelde mezelf nat worden van alleen die aandacht, en schaamde me daar een seconde voor tot ik besloot dat schaamte hier niks te zoeken had.
Na een uur legde ze het houtskool neer. Haar vingers waren zwart. "Pauze. Water. En een vraag: mag ik dichterbij komen? Niet om te tekenen."
"Ja," zei ik. "Alsjeblieft ja."
Ze waste haar handen snel, kwam voor me staan, nog steeds gekleed, en kuste me. Langzaam. Alsof ze een contour proefde. Ik greep haar overhemd vast bij de randen. Haar hand vond mijn middel, daarna mijn rug, daarna de rand van mijn onderbroek zonder eronder te gaan. Ik voelde haar glimlachen tegen mijn mond.
"Nog steeds ja?" vroeg ze.
"Nog steeds ja. Meer ja. Ik wil dat je me aanraakt zoals je keek."
"Dat kan," murmelde Mara. "Zeg het als ik te snel ga."
We verplaatsten naar de oude bank onder de schetsen die aan de muur hingen als toeschouwers. Mara trok haar overhemd open; ik schoof het van haar schouders. Haar borsten waren vol, tepels donker, een vlekje blauwe verf bij haar collarbone dat ik wegkuste tot mijn tong een vage chemische nasmaak had en we allebei lachten. Ze liet me niet haasten. Haar mond ging naar mijn hals, mijn borst, zoog zacht tot ik kreunde en mijn handen in haar knot verdwenen. Het potlood viel eruit op de grond. Haar hand gleed eindelijk onder de rand van mijn onderbroek.
"Nat al," murmelde ze, tevreden zonder gemeen te zijn. "Van het kijken, of van de kus?"
"Van jou. Van dit hele verdammde atelier. Van je vragen die geen vragen zijn."
Ze lachte, trok mijn onderbroek uit, en ging tussen mijn benen op de knieën op de bank. Een knie op de grond, een knie op de zitting, alsof ze een houding koos die ze lang vol kon houden. Haar tong vond me alsof ze ook daar een lijn zocht die klopte. Ik hield me vast aan de leuning, aan haar haar, aan wat ik kon grijpen. Ze likte langzaam, dan sneller, schoof twee vingers in me toen ik erom vroeg — "alsjeblieft, Mara" — en krulde ze precies genoeg. Ze bracht me tot een orgasme dat me de bakkerij beneden even deed vergeten. Ik kwam met haar naam in mijn mond en de geur van houtskool in mijn neus — een combinatie die ik nooit in een artikel zou kunnen zetten zonder ontslagen te worden.
Toen wilde ik haar. Ik duwde haar achterover, schoof haar broek en ondergoed omlaag, en gaf terug wat ik had gekregen. Mara smaakte naar huid en zeep en een vleugje zweet van het staan bij de ezel. Ze was directer in haar geluiden dan ik; ze zei wat ze wilde: "Rechts... zo... hardere druk... ja, Elise, blijf, niet lichter." Ik bleef. Ik leerde haar ritme zoals zij mijn lijnen had geleerd. Ze kwam met haar hand in mijn haar en haar andere hand over haar mond, alsof ze de buren spaarde en tegelijk niet echt wilde zwijgen. Daarna trok ik die hand weg en kuste haar, diep, zodat ze haar eigen kreun in mijn mond kon laten.
We lagen naakt onder een oude deken met een gat bij de zoom, benen verstrengeld, pratend over niks: over of amandelcroissants beter waren dan pistache, over een expositie in Gent waar ze misschien hing, over hoe gek het was dat een interview dit had gebaard. Mara streek over mijn arm, over de plek waar mijn horloge gewoonlijk zat.
"Ik wil je weer zien," zei ze. "Niet alleen om te tekenen. Ook wel om te tekenen — je schouder wil ik beter hebben. Maar vooral omdat ik je graag hoor lachen als je komt. En omdat je vragen stelt alsof antwoorden ertoe doen."
"Romantisch," plaagde ik, al voelde mijn borst warm.
"Eerlijk," corrigeerde ze. "Romantiek zonder eerlijkheid is decor. Ik hou van verf. Niet van decor."
Ik kuste haar schouder, precies op de plek waar de blauwe veeg was geweest. "Volgende week. Zelfde tijd. Ik breng wijn. En vragen die niks met kunst te maken hebben. Alleen met jou."
"Goed," zei Mara. "Dan houd ik het overhemd dichter bij de deur klaar. En extra houtskool. Voor als we toch weer belanden bij kijken voor we belanden bij aanraken."
Toen ik naar beneden liep, met trillende benen en een recorder in mijn tas die niks van dit alles had gehoord, kocht ik twee amandelcroissants. Eén at ik op straat, kruimels op mijn jas. De andere bewaarde ik voor later, toen ik thuis het portret in mijn hoofd opnieuw tekende: niet met houtskool, maar met herinnering. Het artikel stond online met nette citaten en een foto van Mara's werk, niet van haar mond. Wat er boven de bakkerij was gebeurd, bleef van ons — afgerond genoeg voor die middag, open genoeg voor de volgende. En toen ik inslaapte, dacht ik niet aan deadlines, maar aan blauwe verf op een collarbone, aan een vrouw die vroeg voordat ze nam, en aan een bank die kraakte alsof hij blij was eindelijk voor iets anders te dienen dan schetsen.
