Kaarsen en haar trui
Hij had te veel kaarsen aangestoken. De woonkamer rook naar vanille en een beetje naar zenuwen. Ik droeg zijn trui, niets eronder, omdat hij dat ooit in een app had genoemd en ik het onthouden had.
We dansten zonder muziek, belachelijk, zijn hand in de trui in mijn rug. Hij kuste me alsof hij tijd had. Dat had hij. De deadline was nergens.
Op de bank ging de trui over mijn hoofd. Hij kuste mijn borsten, mijn buik, de binnenkant van mijn knie. Ik trok hem omhoog voor hij te lang beneden bleef, niet omdat het niet goed was, omdat ik zijn gezicht wilde.
Hij schoof naar binnen terwijl hij me aankeek. Langzaam, tot ik mijn benen om hem heen sloeg. We bewogen als mensen die elkaar al kenden en toch opletten. Ik kwam zacht, bijna niet te horen. Hij daarna, met mijn naam, één keer.
De kaarsen waren half op. We lieten ze opbranden. Zijn trui vond ik de volgende ochtend onder de bank. Ik trok hem weer aan. Hij zei niets. Hij zette koffie.
We dansten zonder muziek, belachelijk, zijn hand in de trui in mijn rug. Hij kuste me alsof hij tijd had. Dat had hij. De deadline was nergens.
Op de bank ging de trui over mijn hoofd. Hij kuste mijn borsten, mijn buik, de binnenkant van mijn knie. Ik trok hem omhoog voor hij te lang beneden bleef, niet omdat het niet goed was, omdat ik zijn gezicht wilde.
Hij schoof naar binnen terwijl hij me aankeek. Langzaam, tot ik mijn benen om hem heen sloeg. We bewogen als mensen die elkaar al kenden en toch opletten. Ik kwam zacht, bijna niet te horen. Hij daarna, met mijn naam, één keer.
De kaarsen waren half op. We lieten ze opbranden. Zijn trui vond ik de volgende ochtend onder de bank. Ik trok hem weer aan. Hij zei niets. Hij zette koffie.
