Achter het festivaltentje
De bass dreunde door de grond. Achter het cateringtentje was het donker, een rij kratten, de geur van frietvet en gras. Hij trok me mee tussen twee hekken. Mijn laarzen zonken weg.
We kusten slordig, te luid, tot een runner voorbij liep en we stil werden. Zijn hand onder mijn jurk, mijn hand in zijn broek. Geen tijd voor meer dan dat, dachten we. Toen toch meer.
Ik draaide me om, handen op een krat. Hij schoof mijn slip opzij en nam me zo, kort, hard, in het ritme van een nummer dat ik later nooit meer terugvond. Mijn armband rammelde tegen het plastic.
Ik kwam half, meer van de spanning dan van de techniek. Hij kwam in het condoom dat we bijna vergeten waren, met een vloek in mijn nek. Iemand riep om ijs.
We liepen terug het licht in, haar in de war, gras op mijn knie. Een vriendin vroeg waar we waren. 'Wc-rij,' zei ik. Ze geloofde het, of deed alsof.
We kusten slordig, te luid, tot een runner voorbij liep en we stil werden. Zijn hand onder mijn jurk, mijn hand in zijn broek. Geen tijd voor meer dan dat, dachten we. Toen toch meer.
Ik draaide me om, handen op een krat. Hij schoof mijn slip opzij en nam me zo, kort, hard, in het ritme van een nummer dat ik later nooit meer terugvond. Mijn armband rammelde tegen het plastic.
Ik kwam half, meer van de spanning dan van de techniek. Hij kwam in het condoom dat we bijna vergeten waren, met een vloek in mijn nek. Iemand riep om ijs.
We liepen terug het licht in, haar in de war, gras op mijn knie. Een vriendin vroeg waar we waren. 'Wc-rij,' zei ik. Ze geloofde het, of deed alsof.
